‘Humor wijst op intelligentie’

Niets fijner dan praten over een lievelingsboek. In de serie literaire liefdesverklaringen: schrijver Joost de Vries over White Noise van Don DeLillo. ‘Voor een trip naar New York werd me aanbevolen ‘Jerry’ te mailen, de manager van het befaamde, krakkemikkige Chelsea Hotel. Zo kon ik twee weken doorbrengen in een enorme suite vol krakende meubels

Niets fijner dan praten over een lievelingsboek. In de serie literaire liefdesverklaringen: schrijver Joost de Vries over White Noise van Don DeLillo.

‘Voor een trip naar New York werd me aanbevolen ‘Jerry’ te mailen, de manager van het befaamde, krakkemikkige Chelsea Hotel. Zo kon ik twee weken doorbrengen in een enorme suite vol krakende meubels midden in Manhattan. Ik kwam mijn kamer amper uit; ik las een toren boeken, keek de US Open en schreef gelijktijdig tot ver in de nacht aan mijn debuutroman Clausewitz . Een van de boeken die ik las was White Noise van Don DeLillo.

White Noise is een boek vol briljante vondsten. Hoofdpersoon is professor Jack Gladney die, om aan academische gravitas te winnen, permanent een zonnebril draagt. Hij is hoofd van de afdeling Hitler-studies, een studie die hij zelf heeft uitgevonden, al spreekt hij geen woord Duits. Als hij op een congres een lezing in die taal moet houden praat hij vooral over Hitlers hond, Wolf. Dat woord is hetzelfde in het Engels als in het Duits. Gladney beweegt zich in een wereld van geluidsverzadiging. Hij ondergaat en observeert de Amerikaanse soundtrack van snelwegverkeer, diepvriesgebrom in supermarkten en de ruis van talk radio, tv-uitzendingen en reclame-jingles die ons moeten vertellen dat we nergens bang voor hoeven te zijn. Dit thema van overconsumptie begint op de eerste bladzijde al.

Gladney ziet op de eerste dag van het collegejaar de studenten een trits producten uit de stationwagons van hun ouders halen en beschrijft de tennisrackets, de computers, het junk food, de snacks: ‘…peanut creme patties, Waffelos and Kabooms, fruit chews and toffee popcorn; the Dum-Dum pops, the Mystic mints.’ Er bestaat een geannoteerde versie van dat geweldige eerste hoofdstuk, waarin je kunt zien dat DeLillo eindeloos geëxperimenteerd heeft met de merknamen van de snacks, om precies de juiste cadans te krijgen.

De eerste honderd bladzijden gebeurt er vrijwel niets. Gladney krijgt lessen Duits, leest de krant, discussieert met zijn vroegwijze kinderen en zijn kinderlijke collega’s, die zich tot zijn verbazing uitsluitend bezighouden met popcultuur: ‘there are full professors in this place who read nothing but cereal boxes.’ Het boek zit vol met zulke oneliners. Zoals wanneer Gladney de vaders van de nieuwe studenten ziet staan: ‘something about them suggesting massive insurance coverage.’ Dan moet ik gewoon hardop lachen. Humor vind ik bij een schrijver het belangrijkste bewijs van intelligentie.

De losse structuur werkt perfect. DeLillo valt zijn thema’s niet frontaal aan, maar schuurt er steeds van een andere kant langs. Ik houd van boeken die iets vaags hebben, waarbij je zelf moet ontdekken hoe je ze moet lezen. Ik heb me verbaasd over de lyrische ontvangst van een boek als Huid en Haar van Arnon Grunberg – recensenten waren onder de indruk van zijn hoofdpersoon, een econoom die alles vereconomiseert, zelfs liefde, lust en seks. Die vereconomisering wordt elke bladzijde door je strot geduwd, 400 pagina’s lang. Daardoor krijgt het iets plats – je wilt toch dat je literatuur op meer dan één manier kunt lezen?

DeLillo’s aanpak betekent overigens niet dat White Noise onsamenhangend is. Al vroeg in het boek doceert Gladney over het complot om Hitler te vermoorden: ‘All plots tend to move deathward. This is the nature of plots. Dit geldt ook voor het boek zelf – erg mooi als een schrijver aanwijzingen geeft over zijn eigen verhaal. Aan het einde van de roman zit wellicht de beste oneliner, als zijn dokter hem blijft bellen: ‘He is eager to see how my death is progressing.’