Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Terrorisme

Waar was je op de dag van de herdenkingen?

Vorige week herdachten we massaal de aanslagen van 9/11. Onze reactie op die aanslagen was schadelijker dan de aanslagen zelf.

De herdenking herdacht.

Diezelfde avond nog wist Maarten van Rossem het al zeker: de Derde Wereldoorlog was niet uitgebroken. Het leverde hem een mediaboycot van negen maanden op.

Bijna tien jaar later concludeerde de Utrechtse brompot dat iedereen het er nu wel over eens moest zijn: hij had het grootste gelijk van de wereld gehad. De wereld was immers helemaal niet radicaal veranderd door 9/11.

De extra dikke weekbladen, talloze bijlagen en eindeloze reportages op televisie deden echter anders vermoeden. De herdenking was zo intensief dat ze op zichzelf al een analyse waard is. Wat hebben we een week geleden precies herdacht? Waarom vertelden we elkaar waar we waren op het moment dat de Twin Towers vielen? En waarom zijn we vergeten waar we waren toen de eerste bommen op Afghanistan vielen, toen Colin Powell de Verenigde Naties voorloog, of toen we van de misstanden in Abu Ghraib hoorden?

Van Rossem heeft ongelijk gekregen. De wereld is namelijk wel degelijk radicaal veranderd door 9/11. Niet het instorten van de Twin Towers zelf, maar onze reactie op deze catastrofe heeft verstrekkende gevolgen gehad.

Als wij allemaal geloven dat een bepaald moment een keerpunt is, dan kan dit moment ook daadwerkelijk een keerpunt worden. De beroemde socioloog William Thomas (1863-1947) heeft deze ‘wet’ als volgt gedefinieerd:

Als actoren toestanden als werkelijk omschrijven, dan zijn die toestanden werkelijk in hun gevolgen.

Juist omdat veel mensen geloofden dat 9/11 een keerpunt was, kon het een keerpunt worden. In dat licht was de massale herdenking van de aanslagen een herbevestiging van ons geloof in ‘keerpunt 9/11’.

Om te begrijpen hoe dit in zijn werk is gegaan moeten wij de taal, het discours, over terrorisme bestuderen. Taal kan namelijk dingen doen en in sommige gevallen zelfs macht uitoefenen. Het terrorismediscours kunnen we in kaart brengen met drie eenvoudige vragen. Wie zijn de terroristen? Wie zijn de slachtoffers? En wat te doen?

De terroristen zijn de slechteriken. Ze zijn gewelddadig omdat ze slecht zijn. Bovendien zijn terroristen onmenselijk en gestoord. Ze worden onmenselijk genoemd omdat ze dan geen menswaardige behandeling verdienen.

De regering Bush achtte de Geneefse conventies bijvoorbeeld niet van toepassing op terroristen. Bush meende dat terroristen de ‘waarden missen die hun anders maken dan dieren’. Het typeren van terroristen als beesten is een buitengewoon krachtige manier om hun misschien wel reële politieke aanklachten te ontwijken en iedere vorm van zelfkritiek de kop in te drukken.

De slachtoffers daarentegen zijn volstrekt onschuldig. Ook bij de herdenking van de aanslagen lazen we steeds weer over die drieduizend onschuldige mensen die zo bruut en onverwacht van hun leven waren beroofd. Na 9/11 ging het echter al snel niet alleen om die drieduizend slachtoffers, maar om alle New Yorkers, alle Amerikanen, of uiteindelijk zelfs alle Verlichte en Westerse wereldburgers.

Toen de bombardementen op Afghanistan begonnen was het discours van onschuld een middel om de schuld van de terroristen te bevestigen. Minister Rumsfeld zei: „Wij begonnen deze oorlog niet. Dus begrijp heel goed, Al-Qaeda is verantwoordelijk voor alle slachtoffers in deze oorlog, of het nu onschuldige Afghanen of onschuldige Amerikanen zijn.” Het Abu Ghraib-schandaal (2004) was juist zo confronterend omdat het de absolute dichotomie van schuldigen tegenover onschuldigen op zijn kop zette.

Het zwart-witdenken over daders en slachtoffers had directe implicaties voor wat er moest gebeuren. Bush stelde: „Elke natie, in elke regio, moet nu een keuze maken. Of je hoort bij ons, of je hoort bij de terroristen.” De taal oefende haar macht uit: twee oorlogen, verstrekkende juridische hervormingen, exploderende defensie-uitgaven en permanente veiligheidsmaatregelen waren het gevolg.

Er is echter een groot strategisch nadeel aan het terrorismediscours van Bush. De doorwrochte demonisering van de terroristen laat weinig ruimte over voor flexibiliteit. Zo zijn inlichtingenexperts het er al jaren over eens dat martelen een buitengewoon ineffectieve methode is om informatie te vergaren.

Tien jaar na dato zijn er nog sterke resonanties van Bush’ terrorismediscours. Als we voor de zoveelste keer met de beelden van 9/11 worden geconfronteerd gaan we het weer bijna geloven: dit was een aanval op ons allemaal, op onze vrijheid en democratie en het was een regelrechte oorlogsverklaring.

Bush heeft dankbaar gebruikgemaakt van de aanslagen. Tijdens maar liefst dertien publieke bijeenkomsten grapte hij over zijn geluk met 9/11. Iemand die wel eens heeft gegokt op de renbaan is ongetwijfeld bekend met de term ‘trifecta’. Het betekent dat je de nummer één, twee en drie in perfecte volgorde goed hebt gegokt. Bush zei half september 2001 dat hij de trifecta had gewonnen.

Kort voor de aanslagen had hij nog opgemerkt: „Ik heb herhaaldelijk gezegd dat ik het geld van de sociale verzekeringen alleen zal inzetten als er sprake is van oorlog, een recessie of een ernstige noodsituatie. En dat meen ik. Dat meen ik”. Vijf dagen later deden al deze uitzonderingen zich voor en won de president zijn trifecta.

Gekaapte vliegtuigen verwoestten mensenlevens. 2998 om precies te zijn. Het waren onschuldige Amerikanen die het stuk voor stuk verdienen om te worden herdacht. Maar als blijkt dat ook taal kan doden, hoe zullen we dan de totstandkoming van het terrorismediscours herdenken? We zouden er, om enigszins consequent te blijven, een massaal gebeuren van moeten maken waarbij afgelopen zondag schril afsteekt.

Maar verdraaid: waar was ik ook al weer toen Bush zei dat hij de trifecta had gewonnen, toen bleek dat er in Irak geen massavernietigingswapens waren en toen ik voor het eerst de ‘collateral murder’-video van WikiLeaks zag? Ik ben het straal vergeten!

De aanslagen van 11 september 2001 zijn een groot keerpunt geweest in de moderne geschiedenis. Dat kwam niet door de brokstukken van het World Trade Center, maar door de manier waarop wij ervoor kozen naar deze brokstukken te kijken. Daar doet het relativeringsvermogen van Maarten van Rossem helaas niets aan af.

Rutger Bregman (1988) is student en docent geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en studeert nu drie maanden in Los Angeles aan UCLA. Hij werkt aan een boek over de actualiteit van de geschiedenis.