Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Palestijnse staat is zinloos zonder akkoord Israël

Palestina wordt een eigen staat. Hebben de Palestijnen daar baat bij? Alleen een bilateraal akkoord met Israël zal hun situatie verbeteren, stelt G. Geltner. En pas op voor de trucs van Netanyahu.

Zoals bij veel hedendaagse voorwerpen gaat de oorsprong van nationale vlaggen terug tot de Middeleeuwen. Geborduurde, heraldische symbolen en op doek geschilderde kleurencombinaties werden gebruikt als verenigende iconen voor legers en volken. Vooral Nederlanders zijn hierop van invloed geweest. Tal van opkomende landen kopieerden het formaat van de oorspronkelijke driekleur uit 1572, het ‘ranje-blanje-bleu’.

Op 23 september aanstaande zou een nieuwe driekleur een mast in de New Yorkse East 42nd Street kunnen sieren, als de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een resolutie aanneemt om de status van Palestina op te waarderen tot 194ste lidstaat.

Bijna 64 jaar na de terugtrekking van Britten en Fransen uit het Nabije Oosten zal dit explosieve stukje land eindelijk worden opgenomen in de taart der naties, maar voor Palestijnen zal deze gebeurtenis hoogstens een beperkt aantal brengen van de verworvenheden die we tegenwoordig associëren met soevereiniteit. Nog altijd mag Palestina geen leger hebben om zich te verdedigen, geen grenzen die het zelf mag controleren en geen middelen om zijn burgers te voorzien van eerste levensbehoeften. Ook blijft het territoriaal gemankeerd, met Gaza gescheiden van de Westelijke Jordaanoever en deze laatste bezaaid met tal van Israëlische nederzettingen, verbonden door een net van ‘veilige’ – lees: Palestijnenvrije – wegen.

Wil er wezenlijk iets veranderen, dan is een bilateraal akkoord met Israël noodzakelijk. Dit is op zijn zachtst gezegd niet aanstaande.

Israël geeft allerlei redenen om onderhandelingen met de Palestijnen te blokkeren of zelfs om de rollen om te draaien, maar of ze het nu leuk vindt of niet, de enige democratie naar westers model in het Midden-Oosten zal nog van een koude kermis thuiskomen. Als de VN-resolutie wordt goedgekeurd, zal ze geen leeg gebaar zijn. Een praktisch gevolg uit volkenrechtelijk oogpunt zal zijn dat de activiteiten van Israël buiten zijn dan feitelijk erkende grenzen onwettig zullen worden. Palestina zal vooral de Israëlische nederzettingen – met inbegrip van Oost-Jeruzalem – en hun aanvoerroutes en verdedigingswerken moeten aanvaarden. Dit is eveneens een onwaarschijnlijk scenario zonder een bilaterale overeenkomst. Bij gebreke hiervan zullen vergelijkingen tussen Israël en het vroegere apartheidsbewind in Zuid-Afrika meer grond krijgen.

De grote westerse mogendheden, en vooral de Verenigde Staten, zien de resolutie in de VN-vergadering liever niet in stemming komen, ook al steunen ze expliciet een Palestijnse staat. Ze zijn terecht bezorgd dat de resolutie, of die nu wel of niet wordt aangenomen (wat zou betekenen dat zij zich van een veto onthouden – op zichzelf al een problematische stap), de schijnwerper zal richten op het diplomatieke isolement van Israël en de groeiende tol die dit heeft geëist van zijn bondgenoten.

Bovendien beseft iedereen dat de waarschijnlijke uitkomst van zo’n impasse een nieuwe geweldscyclus zal zijn, gesteld althans dat we de geweldsspiraal tegen de Palestijnen in bezet gebied en de geweldsuitbarstingen tegen de Israëlische burgers en strijdkrachten negeren. Toch zal een stemming alleen maar meer duidelijkheid scheppen in een toestand die al veel te lang doorbroeit. In het gunstigste geval drijft ze Israëliërs en Palestijnen naar de onderhandelingstafel, al was het maar omdat het alternatief echt een schrikbeeld is.

Het alternatief? Normaal gesproken zullen Israëlische veiligheidstroepen zelfs een goed gecoördineerde Palestijnse opstand kunnen weerstaan, maar 23 september zal geen normale dag zijn, zeker niet in een Midden-Oosten dat onlangs een aantal bemoedigende machtswisselingen heeft meegemaakt. In Israël zelf – nog los van de enorme onrust onder de middenklasse waarmee de regering-Netanyahu de afgelopen maanden te maken heeft gehad – spelen groeiende onzekerheden langs de Syrische en Egyptische grens, lichte maar constante dreigingen van de kant van Iran en een verslechterende relatie met Turkije sinds de dodelijke aanval op de activistenvloot die vorig jaar op weg was naar Gaza. De Israëlische premier kan zich dus niet veroorloven zich nog dieper in de nesten te werken.

Mijn grootste angst is dat Netanyahu en zijn ultrarechtse regering genoeg bondgenoten ervan zullen overtuigen dat VN-steun aan een Palestijnse staat de anti-Israëlische vooringenomenheid van deze organisatie zal bewijzen – waarvoor propagandisten vermoedelijk al gauw ‘antisemitisch’ in de plaats zullen zetten – en voorbijgaat aan het bedreigde bestaan van Israël en zijn oprechte pogingen om te komen tot een duurzaam vredesakkoord met de Palestijnen. Deze cynische, valse truc mag niet worden geaccepteerd. Als Israël zijn ‘ergste nachtmerrie’ bewaarheid ziet – een gedemilitariseerde schim van een staat waarvan de bevolking zonder enig politiek perspectief in werkelijk minderwaardige omstandigheden leeft – zal dit vooral door eigen toedoen zijn, ondanks de kansen om een eenzijdige stap te voorkomen, zeker van de zijde van een Palestijnse leiding die een geweldloze aanpak heeft omarmd.

Op 23 september zal een Palestijnse staat een feit zijn, politiek of diplomatiek. In beide gevallen komt op de Israëlische regering een grotere druk dan ooit te liggen, maar het getto dat Israël dreigt te worden is vooral het gevolg van zijn eigen interne dynamiek en zijn buitenlandpolitiek – niet van de eeuwige haat van een vijandige wereld.

G. Geltner is hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de UvA.