Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Minderheden krijgen verloren bezit terug in Turkije

Terwijl de Turkse regering steeds nationalistischer lijkt, anti-Grieks, anti-Israëlisch en anti-Koerdisch, paait zij de niet-islamitische minderheden in eigen land.

Vraag Mihail Vasiliades niet of hij hoopvol is gestemd over de toekomst. Dat zit niet in zijn aard. Daarvoor zijn hij en de Griekse gemeenschap in Turkije die hij vertegenwoordigt, te veel kwijt geraakt in de afgelopen eeuw. De hoofdredacteur klikt de tl-lichten aan in het kantoortje van de enige overgebleven Griekse krant in Istanbul, Apoyevmatini, anno 1925. Een redactielokaal zoals er tegenwoordig niet meer veel bestaan: met oude typemachines, een stoffige archiefkast, en een tekentafel waar de krant nog met de hand wordt opgemaakt.

Het verhaal van zijn krant is het verhaal van de Griekse gemeenschap. Aan het begin van de vorige eeuw, toen Istanbul nog het centrum was van een kosmopolitisch wereldrijk, sprak ruim een kwart van de bevolking in deze stad Grieks. Tienduizenden lezers had de krant bij de oprichting. Nu heeft hij nog zeshonderd abonnees, precies zoveel als het aantal Griekse families dat na die woelige eeuw is achtergebleven. Zijn krant is stervende, zegt de hoofdredacteur, „we lijden aan kanker”. „Maar nu hebben we van de regering een aspirientje gekregen tegen hoofdpijn. We zullen nog steeds sterven, maar zonder hoofdpijn.”

Het aspirientje dat hij bedoelt, is de plechtige belofte van premier Erdogan om honderden bezittingen die de Turkse staat in de afgelopen eeuw afnam van de niet-islamitische minderheden terug te geven, aan de Grieken, de Armeniërs en de joden. Scholen, begraafplaatsen, weeshuizen, ziekenhuizen, gemeenschapshuizen, die hun in 1936 met een speciale wet werden afgepakt.

De minderheden kunnen ook rekenen op financiële compensatie van bezittingen die in de afgelopen 75 jaar door de Turkse staat zijn verkocht. Hiermee komt een eind aan een decennialang gevecht dat de minderheden in Europese en Turkse rechtbanken voerden. Aldus bepaald door de premier, per decreet.

Dat zou groot nieuws moeten zijn voor de krant Apoyevmatini. Maar de hoofdredacteur besloot om het nieuws niet dominanter te maken dan de andere ontwikkelingen in de regio die hem zorgen baren.

Ze zijn met elkaar verbonden, denkt hij. De hoogoplopende ruzie met Israël. De spanningen met Grieks-Cyprus, over gasboringen voor de kust die Turkije dreigt te saboteren. Het conflict met de Koerdische militanten van de PKK, die de Turkse regering nu zegt op te willen lossen door grondtroepen te sturen naar hun kampen in Noord-Irak. Het Turks nationalisme viert hoogtij in de buitenlandse politiek.

„Teruggave van onze bezittingen beloven was niet makkelijk voor de premier, want er is veel verzet van de nationalistische oppositie. Hierin zie je het bewijs van het grote zelfvertrouwen van de premier na de verkiezingen”, zegt de hoofdredacteur.

Erdogan won in juni met vijftig procent van de stemmen de verkiezingen en verpulverde de oppositie. „Maar zulke beloften zijn al eerder gedaan. Ik geloof niet dat ze zijn ingegeven door het plotselinge medeleven van de premier met de minderheden in Turkije. Let op de timing. De relatie met Europa staat onder druk. Nu probeert hij ze weer te charmeren. Er is een gezegde in het Turks: doe je broekspijpen niet omhoog voor je bij de zee bent. Wie te vroeg juicht, loopt het risico op teleurstelling.”

De afgelopen eeuw was de eeuw van teleurstelling. Een bloedige eeuw voor de Armeense christenen. Maar ook voor de Grieken, die bij de oprichting van de Turkse republiek in 1923 met honderdduizenden uit het hartland van Anatolië werden gejaagd. De pogroms van september 1955, toen tienduizenden Griekse middenstanders het centrum van Istanbul werden uitgejaagd. En de tienduizenden die in jaren daarna de stad nog verlieten, onder wie de hoofdredacteur zelf, die pas terugkeerde toen Erdogans AK-partij in 2002 aan de macht kwam.

De partij, die haar wortels heeft in de politieke islam en zich opwerpt als de vertegenwoordiger van gelovige en belijdende moslims, deed meer voor de niet-islamitische minderheden in Turkije dan veel van de strengseculiere voorgaande regeringen. De partij stelde een Grieks-orthodox klooster en een Armeense kerk weer open voor jaarlijkse gebedsdiensten. De partij paste ook wetten aan waarin de rechten van minderheden beter beschermd worden, zoals de Europese Unie eist voor Turkse toetreding.

Twee nauwe steegjes verderop, aan de straat van de Onafhankelijkheid in het centrum van Istanbul, meent een Armeense apotheker, die anoniem wil blijven, dat de slechte tijden voor de christenen in deze stad nu achter de rug liggen. „Er zijn hele wolkenkrabbers gebouwd op de grond van Armeniërs in deze stad. De regering belooft ons te compenseren voor het gebruik van dat land. Iedereen is blij. Ik ken niemand die niet blij is.”

Behalve de hoofdredacteur van de Griekse krant dan. Hij wijst op de tienduizenden huizen in de stad die halsoverkop werden verlaten door de Grieken in de jaren vijftig, zestig en zeventig, en nu worden bewoond door Koerden, Afrikanen of andere migranten. Veel van die gebouwen zijn ingestort, vermolmd, reddeloos verloren. „Voor terugkeer van die Grieken is het te laat. Ze zijn dood. Of oud als ik. Maar misschien is er nog hoop voor de nieuwe generatie die opgroeit in bankroet Griekenland. Voor hen is Turkije nu misschien een optie.”