Dit is een artikel uit het NRC-archief

Boeken

K. Schippers en Van Kooten op dreef op ‘Nacht’

De Nacht van de Poëzie lijkt af en toe wel een duel tussen de seksen. De al wat oudere dichter Rob Schouten droomde intussen van een centerfold. „Wat zitten er veel mensen!” riep Ellen Deckwitz verrast, toen ze als laatste dichter van de Nacht van de Poëzie – het was al na drieën – het

De Nacht van de Poëzie lijkt af en toe wel een duel tussen de seksen. De al wat oudere dichter Rob Schouten droomde intussen van een centerfold.

„Wat zitten er veel mensen!” riep Ellen Deckwitz verrast, toen ze als laatste dichter van de Nacht van de Poëzie – het was al na drieën – het podium van de schouwburg in Utrecht betrad. Dat verbaasde de toeschouwers waarschijnlijk zelf nog het meest. Het was eerder te wijten aan een gebrek aan initiatief om op te staan, dan dat we op de vleugels van geïnspireerde voordrachten naar dit goddeloos uur waren gevoerd.

Onze lethargie werd beloond. Deckwitz hield ons wakker door de gevaarlijk prikkelende gedichten van Stijn Vrancken, die net voor haar optrad, van repliek te dienen. Vrancken spuwde zijn gal over sombere vrouwen en lelijke vrouwen, onder meer in een ode aan de tentslet. Zijn zelfanalyse in het gedicht ‘Waarschuwing’ was serieus te nemen: ‘Mijd me. Als ik je aanraak zal ik me dat niet herinneren. Dat beloof ik.’ De jonge Belg sloot af met het door hem als haatgedicht betitelde ‘Je bent’, dat eindigde met de regel: ‘Afwezigheid zit je zonder twijfel als gegoten.’

Deckwitz reageerde met de herhaalde regel ‘Soms moeten alle mannen echt even weg’, met als spannend tussenspel een gemimed gesprek tussen vrouwen: de vrouwelijke geheimen die mannen nooit zullen kennen. De dames in het publiek knikten zusterlijk instemmend.

Zo goed als het einde was ook het begin van de Nacht, met Lieke Marsman, Kees van Kooten die werk van de Amerikaan Billy Collins voordroeg en Rob Schouten. Een laconieke levenshouding is niet alleen middel, maar ook doel bij Schouten, die voortdurend het hoge met het lage verbindt. „O Pompeï, o straffe diarree”, luidde een kenmerkend rijm uit een van zijn nieuwe gedichten – die moeten verschijnen onder de naam ‘Zware pijnstillers’, zei hij erbij. Een regel als ‘Kan ik deze engel nog ruilen voor een centerfold’, is even typerend voor zijn obsessie, én verraadde dat Schouten ook al weer tegen de zestig loopt. Wie droomt er dezer dagen nog van een centerfold?

Maar na dit openingstrio vulden de uren zich met evenveel prettige als pijnlijke optredens. De vakkundige aankondigingen van collega-dichter Ingmar Heytze werden in weerwil van het niveau steeds enthousiasmerender, met een enkele afslag richting hysterie. De onopmerkelijke verzen van Chrétien Breukers, de man met de venijnige commentaren op zijn veelgelezen poëzieblog De Contrabas, stelde hij voor de zekerheid gelijk aan het beste van Martinus Nijhoff en Hendrik Marsman. Voor je het weet staat er iets onaardigs over je op internet.

Een gedreven K. Schippers maakte indruk met zijn treurige litanie van vragen aan een zieke en een stuiterend klankwerk rond het woord ‘voorval’. De Vlaming Koenraad Goudeseune bracht zijn potente poëzie opvallend ingetogen, bijna schuchter, met onder meer de fraaie verzuchting in zijn ‘Hooglied’: „In dat hoge lied staat laat mij toch, laat mij toch je aangezicht zien, geen Facebook.”

Een andere surprise was alweer een Vlaamse, de jonge Maud Vanhauwaert, die door te grommen, te ronken en de hoge toon van Aziatische vrouwen te parodiëren voor haar fragiele gedichten de aandacht wekte die ze verdienden. Zij hield ons in onze stoel.