Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Wetenschap

Er zijn wat vuiltjes in het systeem

In zijn boek betoont Hoge Raadslid Ybo Buruma zich zowel bondgenoot als criticaster van het strafrecht.

Vraag hij niet te veel begrip voor gerechtelijke dwalingen?

Een beeld van Vrouwe Justitia in Frankfurt. Foto Frank May The picture shows a statue of the Roman goddess of justice on the fountain of justice in Frankfurt Main, Germany, 1 January 2008. The goddess from Roman mythology represents justice. Photo: Frank May
Een beeld van Vrouwe Justitia in Frankfurt. Foto Frank May The picture shows a statue of the Roman goddess of justice on the fountain of justice in Frankfurt Main, Germany, 1 January 2008. The goddess from Roman mythology represents justice. Photo: Frank May DPA/AFP

Ybo Buruma was als hoogleraar in Nijmegen baken, buffer, bron en criticaster van de strafrechtpraktijk in Nederland. Bij zijn benoeming in de Hoge Raad deze maand laat hij een boek verschijnen waarin al die rollen ook aan de orde komen. Dat komt vooral omdat het een bundel is van artikelen, essays en commentaren die hij al eerder, vanaf 2007, publiceerde.

Het eerste hoofdstuk is zijn afscheidsrede en fungeert meteen als leeswijzer: alle thema’s komen terug in de volgende hoofdstukken. Dat heeft voor- en nadelen. Je kunt het per hink-stap-sprong lezen, op thema. Dat is zelfs aan te bevelen, want Buruma legt veel nuance en kennis in zijn stukken waardoor je voortdurend tot denk- en streeppauzes wordt verleid. Het nadeel is dat in het boek nogal wat elkaar overlappende passages zitten. Maar los daarvan heb je een provocerend nadenkboek over de stand van het strafrecht in handen, dat nog een paar jaar goed blijft.

Interessant aan Buruma is dat hij empathie toont voor de benarde burger die van het strafrecht keiharde repressie eist. Maar intussen blijft hij onbekommerd ongemakkelijke observaties over de strafrechtpraktijk doen. Bijvoorbeeld dat de wetgever steeds ruimere strafbepalingen in de wet opneemt, waardoor het gewoonste gedrag al strafbaar kan zijn. Wie nu roept ‘hé dat bushokje is nog heel!’ pleegt al een strafbare voorbereidingshandeling. Dat de rechter fouten van het Openbaar Ministerie steeds vaker afdekt en de Hoge Raad nogal ‘politievriendelijke’ arresten wijst. Dat zó regelmatig de feitenweergave in processen-verbaal van de politie niet klopt, dat hij zich afvraagt of de politie nog wel vertrouwd kan worden. Dat voorlopige hechtenis ten onrechte zo vanzelfsprekend is geworden dat Nederland binnen Europa bij de koplopers hoort.

Zo wist ik wel dat Nederland Europees kampioen telefoontappen is, maar niet dat de rechter-commissaris in de praktijk niets meer te zeggen heeft. Zelfs idiote tapverzoeken tegenhouden is er niet meer bij, Stelt Buruma. Ook de praktijk van de doorzoeking van woningen is uit de hand gelopen. Vastgestelde fouten worden door de rechter niet of nauwelijks afgestraft.

Buruma klaagt dit alles niet keihard aan. Hij is meer de geëngageerde observator die in een overigens mooi systeem net iets te veel vuiltjes aantreft om echt tevreden te zijn. Als lezer en staatsburger word je daarentegen een stuk ongeruster. Buruma vindt zelf dat er in grote lijnen met de strafrechtpraktijk niets mis is. De paradox is dat zijn boek de andere richting uit wijst. Ook de grote justitiële dwalingen van de laatste decennia brengen Buruma niet op andere gedachten. De grote indruk die de Deventer parkmoord, Lucia de Berk, Ina Post en de Twee van Putten op het publiek hebben gemaakt, ziet hij ook als een mediafenomeen. Het gezagsverlies van de strafrechter bij het brede publiek wijt hij aan de ‘hypnotische kracht van herhaling’ die eigen is aan tv-verslaggeving. De beelden waarin de onschuldig veroordeelden Kees B. (Schiedam) en Wilco Viets en Herman duBois (Putten) als slachtoffer-winnaars werden gevangen zouden de legitimiteitscrisis hebben aangejaagd.

Daarover kun je van mening verschillen. Behalve tv-journalisten waren er immers ook wetenschappers als Ton Derksen, Richard Gill, W.A. Wagenaar, Peter van Koppen en Han Israels die vanuit de wetenschapsfilosofie, wiskunde en rechtspsychologie hard-kritische boeken schreven over bijvoorbeeld ‘slapende rechters’.

Buruma geeft deze critici nu antwoord, althans deels. Hij onderbouwt de ruime voldoende die hij de strafrechtpraktijk zelf geeft ook met voorbeelden. Van strafrechters die politie onderzoek juist streng controleren, bewijs afkeuren, deskundigen doorprikken, het Openbaar Ministerie afstraffen en zich volkomen onafhankelijk gedragen. Hij onderschrijft ook veel kritiek, door aan te dringen op een betere benutting van wetenschappelijke kennis. Vooral die buiten het juridische domein. Maar aan de bewijsmiddelen in het strafproces (verklaringen, voorwerpen, forensische sporen etc) hoeven van hem niet dezelfde eisen te worden gesteld als de wetenschapper in zijn laboratorium moet doen. De rechter beoordeelt het bewijs immers op samenhang, in de context van het daderverhaal.

Ook de strafrechter heeft dus een klinische blik, waarin intuïtie een rol mag spelen. Hij mag soms op zijn overtuiging afgaan, schrijft Buruma. Bijvoorbeeld bij de vraag wanneer iets ongeloofwaardig is. Zo blijft de juridische waarheid iets anders dan de wetenschappelijke. Al was het maar omdat de strafrechter altijd de waarheid in een incident zoekt, en de wetenschapper de objectieve, generaliseerbare waarheid. Ik vermoed dat het niet-juridische academici niet zal overtuigen.

Tegelijk ziet Buruma ook dat het zelfreinigend vermogen van politie, justitie en zeker ook de rechterlijke macht bij fouten niet groot is. De strafrechtketen is een closed shop, schrijft hij. Vergelijkbaar met ziekenhuizen, waar de artsen een stuk verder zijn met evaluatie en zelfcontrole als er eens iemand onverwacht op de operatietafel overlijdt. Rechters kunnen met een fatale dwaling niet uit de voeten. Er is geen forum voor, anders dan de hogere instantie die q.q. altijd gelijk heeft. Maar leert iemand er ooit enige les? Binnen de Rechtspraak als beroepsgroep is er evenmin een briljant idee ontwikkeld waarmee deze ban wordt gebroken, zonder dat het raadkamergeheim wordt geschonden. Zo laten de grote dwalingen een spoor van ongemak na. En moeten we het doen met de verzekering van Buruma dat de rechter betrouwbaarheid van bewijs ‘zo veel mogelijk’ nastreeft. Fout kan het dus altijd blijven gaan.

Ybo Buruma: Geen blad voor de mond Strafrechtspraak in Nederland. Bert Bakker, 355 blz. € 19,95