De ramingen van het CPB: zo goed als een natte vinger

Politici leunen op de voorspellingen van het Centraal Planbureau, maar de economie kun je niet voorspellen. Laat het CPB liever iets nuttigs doen, betoogt Gerard Stulen.

Illustratie Michael Kountouris
Illustratie Michael Kountouris

Prinsjesdag is weer in aantocht. Wat staat ons het komende jaar te wachten? In deze onzekere tijden is dat lastig te voorzien. Gelukkig vormen de voorspellingen van het onvolprezen Centraal Planbureau (CPB) al decennialang het baken waarop het schip van staat kan koersen. Een cruciale parameter is het bruto binnenlands product (bbp). Daarvan hangt ons economische wel en wee af.

Hoe goed is ons CPB? Wat stellen die ramingen in de praktijk voor?

Het CPB voert jaarlijks vier ramingen uit – in het voorjaar (het Centraal Economisch Plan), de juniraming, de Macro Economische Verkenning (MEV), die tijdens Prinsjesdag wordt gepresenteerd, en in december. Deze zogenoemde kortetermijnramingen hebben betrekking op het lopende en op het komende jaar.

De prognose voor het lopende jaar is geen echte voorspelling, maar gebaseerd op de tot dan toe bekende resultaten en een extrapolatie op grond van een model voor de rest van het jaar. Deze prognose wordt uiteraard nauwkeuriger naarmate het jaar is gevorderd. Dat geldt ook voor de voorspelling voor het komende jaar.

Sinds 1970 zijn de volgende prestaties geboekt. Het CPB maakt een gemiddelde absolute voorspelfout van 1,2 procent voor het komende jaar. Als wordt gezegd dat de groei volgend jaar 1 procent zal bedragen, betekent dat een groei van tussen de -0,2 en 2,2 procent.

De kwaliteit van de voorspellingen is in de loop van de tijd niet verbeterd. De (absolute) voorspelfout over de periode 1998 tot 2005 is dezelfde als die over de periode 1971 tot 2005. De voorspellingen zijn niet of nauwelijks beter dan ‘naïeve voorspellingen’ – aannemen dat de groei van het komende jaar gelijk is aan die van het lopende.

Eind jaren tachtig heb ik het CPB een brief gestuurd met het aanbod om de voorspellingen voor het komende jaar te verzorgen, tegen een schappelijk tarief. Ik had indertijd al vastgesteld dat deze ‘naïeve voorspelling’ even goed is als die van het CPB en met een voor de hand liggende verfijning zelfs iets beter. Op deze brief is geen antwoord gekomen.

In crisistijden zijn de ramingen natuurlijk nog minder betrouwbaar. De juniraming van de economische groei in 2012 bedroeg 1,75 procent. In de uitgelekte MEV is deze 1 procent. Als de eurocrisis zou losbarsten, wordt nu een getal genoemd van -1,4 procent. Dit is koffiedik kijken.

Dat geldt in het algemeen voor de stortvloed aan tegenstrijdige adviezen die economen aandragen om een eurocrisis te voorkomen of te bestrijden. Het wereldwijde economische systeem gedraagt zich te chaotisch om zinnige uitspraken te doen op langere termijn. Economie is geen voorspellende wetenschap. Dat weten economen ook. CPB-directeur Teulings heeft het zelf gezegd: voorbij anderhalf jaar weten we niets, zelfs bij een normale conjunctuur.

Toch zullen er weer stellige uitspraken worden gedaan, met ernstige gezichten en tegenwoordig zelfs vanachter een katheder. Is het een oeroude behoefte aan profeten die ons de weg wijzen? Waarschijnlijk is het een ritueel. De regering weet ondertussen dat CPB-voorspellingen een beperkte houdbaarheid hebben, maar cijfermatig onderbouwde beleidsvoornemens geven de schijn van controle en daadkracht.

Zullen we het CPB dan maar opheffen? Dat is wat overdreven. Het regelmatig uitvoeren van de raming voor het lopende jaar is nuttig. Deze kan ook dienen als raming voor het komende jaar, maar noem dat dan bijvoorbeeld de ‘economische barometer’ en hecht daaraan niet te veel waarde. Het doorrekenen van verkiezingsprogramma’s is oké, maar de partijen doorgronden de modellen ondertussen wel een beetje. Daarop spelen ze in.

Het CPB is uitstekend toegerust om analyserende, verklarende publicaties te produceren. Dat doet het ook, maar deze zijn nogal fragmentarisch en specialistisch.

Ik zie de volgende mooie taak voor het CPB. Laat het eens naar de lonen kijken. Tussen 1970 en 2010 is de economie gegroeid met een factor 2,7, gecorrigeerd voor inflatie. Dit is een maat voor onze toegenomen welvaart. De samengestelde inflatie (de consumentenprijsindex) beloopt een factor 4,2.

In 1970 verdiende een minister 49.455 euro. Thans is dat 144.500 euro. Dit is een factor 2,9 – beduidend minder dan de inflatie. Een ministerssalaris van 2011 verschaft dus minder koopkracht dan het loon in 1970. Dit is geen grap.

CAO-lonen hebben ongeveer hun koopkracht behouden. Topsalarissen zijn sinds 1983 gegroeid met een factor 9 en sinds 1970 uiteraard nog veel meer.

De koopkracht van minima is sterk gedaald. De staatsschuld is tussen 1970 en 2010 elf keer groter geworden. In deze periode is uiteraard de bevolking toegenomen. Procentueel hebben meer mensen een (deeltijd)baan, maar toch…

De vraag is hoe dit alles samenhangt. Hoe is de welvaartsstijging sinds 1970 verdeeld? Wie heeft daarvan het meest geprofiteerd?

Laat het CPB dit alles eens duidelijk maken, in een toegankelijke publicatie. Dit is voor het beleid zeker zo nuttig als zinloze voorspellingen.

Gerard Stulen is chemicus.