Dit is een artikel uit het NRC-archief

Cultuur

Sterven op strandvakantie

Ramon speelt met zijn pakje shag. De kleine ronde slagroomtaart die tussen ons in staat raakt hij niet aan.
Ik ga het niet vieren, zegt hij. Want er is gewoon niks te vieren.
Het was een wilde gok om deze avond met een taart bij hem aan te komen.
Dat Ramon vandaag drieënzestig is geworden hoorde ik van iemand die vrijwilligerswerk doet in dit inloophuis waar hij regelmatig komt.
Toen hij binnenkwam werd er een verjaardagslied ingezet. Een vals koor van half vergane mannenstemmen. Ramon maande al halverwege de derde ‘lang zal hij leven’ de zangers geïrriteerd tot stilte. Morrend draaiden ze zich weer om naar hun kopjes koffie. Ik zette de taart voor zijn neus en had een beetje verwacht dat hij me ontroerd om de hals zou vliegen.

Maar Ramon lijkt zich niet bepaald te verheugen over mijn aanwezigheid.
Om een gesprek op gang te krijgen vraag ik hem wat zijn leukste verjaardag ooit was.
Mijn zestiende, zegt hij stug, toen heeft mijn beste vriend een brommer voor me gejat.
Hij prikt een vinger met een zwartgerande nagel diep in de taart.
Ik ben hier niet zo van, zegt hij. Zo zomaar met mensen.
Ik vertel hem over mijn rubriek. Mijn vraag of en waar ik welkom ben.
Ramon schudt meewarig zijn hoofd.
Kon je geen betere baan vinden?
Ik zeg dat ik ook nog andere dingen doe en dat ik het bovendien heel leuk vind.
Hij kijkt de troosteloze ruimte rond. Noem je dit leuk?
Ik knik. Hij wijst met een vinger op zijn voorhoofd. Knettergek. Hij lacht. Maar dan ben je hier wel op je plek.
Nu hij denkt dat ik gek ben lijkt Ramon te ontspannen. Met zijn zakmes snijdt hij de taart aan flarden en schuift het bord naar mij toe. Zelf wil hij niet.
Er valt niets te vieren, herhaalt hij.

Ik eet van de taart, terwijl Ramon met zijn zakmes het straatvuil van onder zijn nagels pulkt.
Als je hier toch zit, zegt hij vrolijk, vertel dan maar iets leuks.
Ik vraag wat hij leuk vindt.
Strandvakanties, zegt hij.
Ik kijk naar de stromende regen buiten, wat betreft strandvakanties is mijn hoofd blanco.
Ramon zegt dat hij graag tijdens een strandvakantie wil sterven.
Met zijn hoofd in de golven en zijn tenen in het zand. En dat gaat niet lang meer duren, zegt hij, want ik rammel aan alle kanten.
Ik zeg dat hij er voor zijn leeftijd nog goed uitziet. Hij snuift als een paard. Had je me vroeger moeten zien! Op mijn zestiende verjaardag, met die brommer, ik had ze voor het uitkiezen. Hij zucht.
De ene dag zit je met een kuif op een brommer, de volgende dag drijf je dood in zee.
Ik zeg dat daar nog wel wat momenten tussen liggen. Bijvoorbeeld nu.
Ik vraag of hij niet wil vieren dat hij nu nog leeft. Nu we hier toch zitten, met die taart.
Ramon haalt zijn schouders op. Nu we hier toch zitten.
Met twee vieze vingers schuift hij een stuk taart in zijn mond. En nog een.
Als ik een half uur later opsta pakt hij mijn arm vast. Ik spaar voor een ticket, zegt hij, naar een strand.
Shit, denk ik, nu gaat hij geld vragen en ik heb niks bij me.
Maar hij vraagt iets anders.

Als ik het nou niet bij elkaar heb volgend jaar, dan zit ik dus gewoon hier.
Misschien dat je dan weer langs kan komen? Met een taart?