Dit is een artikel uit het NRC-archief

Boeken

De balpen als schietwapen

Gisteravond presenteerde Ellen Deckwitz op de Nacht van de Poëzie in de stadsschouwburg van Utrecht gedichten uit haar dichtbundel De steen vreest mij. ‘Eén beeld kan je nieuwsgierig maken naar het oeuvre van een dichter.’   ‘Ik las een paar regels van haar. ‘Hij neemt me op schoot.’ Daar begint het mee. Dan ben je eigenlijk

Gisteravond presenteerde Ellen Deckwitz op de Nacht van de Poëzie in de stadsschouwburg van Utrecht gedichten uit haar dichtbundel De steen vreest mij. ‘Eén beeld kan je nieuwsgierig maken naar het oeuvre van een dichter.’  

‘Ik las een paar regels van haar. ‘Hij neemt me op schoot.’ Daar begint het mee. Dan ben je eigenlijk al meteen gespitst: gaat het hier om echte liefde of dreigt er groot gevaar? Ik lees verder. De man die haar op schoot neemt ‘vertelt over onze soort’ en over  ’de Hades in de aderen/die alles schoonwoedt’. Dat begrijp ik nog niet, maar ik begin te vermoeden dat het hier dan wel niet om echte liefde zal gaan. ‘Het gat tussen/zijn ogen dat zich vol met inkt zuigt/dat zich sluit.’ Dit gaat de kant op van een nare droom, ongewenste intimiteit, horror of een nare kinderherinnering. ‘Ik kruip tegen hem aan.’ Ook dat nog. Nu wordt het pas echt eng. Slotregels: ‘Hij knikt, gelooft niet/dat er in mijn ballpoint/ook een kogel zit.’

Dat was het beeld dat mij trof. Iedereen weet, of kan weten, dat er voorin een balpen een heel klein, in inkt ronddraaiend balletje zit. Daarom heet de balpen (of ballpoint) ook balpen (of ballpoint). Als je goed kijkt kan je hem wel zien zitten. Het is een geweldige vondst voor een schrijver om bij dat balletje aan een kogel te denken. En, zo stel ik mij dan voor, bij de pen zelf kun je dan denken aan de loop van een geweer. De pen als schietwapen. Woorden als kogels. Het meisje dat op schoot wordt genomen lijkt misschien weerloos, maar weet zichzelf wel degelijk gewapend. En zij weet blijkbaar ook, gezien het woord ‘ook’ , dat de man die haar op schoot neemt ook over een wapen beschikt. Het is wat je noemt een geladen moment.

[..] Het klinkt eng en erg, maar het is allemaal ook weer zo duister en onsamenhangend dat het voor mij toch niet echt eng of erg wil worden. Wil dit alles het portret van een gehavende zombiefamilie zijn? Het zou kunnen. Of de voorstelling van een in de kindertijd bij elkaar gefantaseerde sprookjeswereld in een eng bos? Ook dat zou kunnen. Maar waarom debuteert een dichteres die op het podium vele successen geboekt heeft nu op schrift met zoiets vaags?

[..] De maansikkel wordt vergeleken met ‘een afgescheurde kindernagel’. Deckwitz ziet ijsbloemen ‘overlopen naar waterbloei’. Ik zie een duidelijke voorliefde voor zelfgemaakte rare woorden ‘estafetteknoken’, ‘bladerpilaar’, en ‘letselsterfte’. Zulke woorden duiden vaak op een kinderlijk geloof in bezwering, toverformule, het spreken in orakeltaal. ‘Vleugels kletteren, ik ontferm me/ over een dichtgeslibde kribbe.’ Maar verder? Maar verder lijkt deze duidelijk getalenteerde dichteres mij nog op zoek naar een onderwerp. Of, als het onderwerp toch al in dit debuut verstopt zit: een dichteres die op zoek moet naar meer openheid.’

De volledige bespreking kunt u hier lezen.