Kurt Westergaard vindt de creatieve klasse maar bang

Cartoonist Kurt Westergaard, bedreigd na spotprenten van Mohammed in 2005, wil meer debat. Sinds ‘Breivik’ voelt hij zich gedwongen na te denken over ‘iedere klodder verf’.

De Deense cartoonist Kurt Westergaard ziet het iedere dag om zich heen: bange kunstenaars uit de intellectuele klasse. Aan de vooravond van de verkiezingen is het debat volgens hem minder vrij dan je van een democratie zou mogen verwachten. „Sinds de aanslagen in Noorwegen is de sfeer veranderd. Politici willen dat wij ons ‘verantwoordelijk gedragen’. Van ons wordt verwacht – want dat is de achterliggende boodschap – dat wij nadenken over iedere pennestreek, iedere klodder verf. Maar je kunt je afvragen: zorgen terroristen voor debat, of is het debat zelf een voedingsbodem voor terrorisme?”

Hij wordt 24 uur per dag bewaakt en zijn huis staat vol beveiligingsapparatuur. Maar de 76-jarige cartoonist is niet naar binnen gekeerd geraakt, verzekert hij. „Ik geef regelmatig lezingen, in binnen- en buitenland. Ik kan gaan en staan waar ik wil, want de Deense overheid zorgt dat ik drie beveiligers om mij heen heb. Ik wil geen icoon worden. Ik ben een simpele cartoonist die zijn werk goed heeft gedaan.”

Westergaard heeft geen moment spijt van de controversiële spotprenten die hij in 2005 van profeet Mohammed maakte voor de Deense krant Jyllands-Posten. „We moeten debatteren over vrijheid van meningsuiting. Zeker in tijden dat de intellectuele, creatieve klasse zich koest houdt. Ik vind het zorgelijk dat zo veel collega’s bang zijn.”

Op 8 november 2007 veranderde zijn leven. Tot die tijd had Westergaard veel dreigmails van moslims ontvangen – vooral de cartoon van Mohammed met een bom in zijn tulband leidde tot woede. Maar vanaf die dag werd het menens. „Ik werd gebeld door de Deense veiligheidsdienst dat er plannen waren om mijn huis binnen te dringen en mij te vermoorden. Mijn vrouw en ik werden in een safe house geplaatst. Daar hebben wij een half jaar gewoond. Toen we terugkwamen was onze woning veranderd in een fort.”

Ondanks de beveiliging brak vorig jaar een man door een glazen deur. „Het was Oud en Nieuw, ik paste op mijn kleindochter Stephanie. Zij zat in de woonkamer, ik stond in de badkamer. Toen ik het glas hoorde rinkelen draaide ik de deur op slot en belde ik de politie. Ik wist: ze komen voor mij, niet voor Stephanie. Maar het waren wel de vijf langste minuten van mijn leven.”

Op de vraag wat hij met het beeld van de tulbandbom heeft willen uitdrukken zegt Westergaard: „Dat de radicale islam terroristen spirituele munitie geeft. Maar je zou het ook anders kunnen zien: terroristen houden Mohammed gegijzeld door zoveel ophef over mijn cartoons te maken.”

Naar eigen zeggen heeft Westergaard moslims vaak voor gesprekken uitgenodigd. Alleen de woordvoerder van de moslimfederatie ging op zijn invitatie in. „Hij liep boos weg toen ik weigerde excuses te maken voor de cartoons. ‘Uw krant wordt betaald door joods-Amerikaanse krachten’, wierp hij mij toe. ‘Jullie worden verplicht achter moslims aan te gaan.’”

Op de vraag wat hij van Geert Wilders vindt, weegt Westergaard zijn woorden. „Ik was er niet principieel op tegen dat Wilders mijn cartoon [met de tulbandbom] voor zijn film Fitna gebruikte, maar vond het wel ongepast dat hij vooraf niet om toestemming vroeg. Ik heb de cartoons in opdracht van Jyllands-Posten gemaakt. En ik had de film op z’n minst vooraf willen zien.”

Volgens Westergaard heeft Wilders hem in Denemarken opgezocht en „rijkelijk gecompenseerd”. Hoeveel? Dat wil hij niet zeggen. De cartoonist kan zich het gesprek nog levendig herinneren. „Van mijn vrouw moest ik vragen of Wilders zijn haar blondeert. Dat heb ik gedaan.”