In de Komi Republiek (1) JAK-42D

Twee dagen na de vliegramp bij Jaroslavl, waarbij op een speler na het hele plaatselijke ijshockeyteam om het leven kwam, vloog ik naar Oesinsk, in de Komi-republiek, in het hoge noorden van Rusland. Het toestel waarmee ik reisde, was van hetzelfde type als dat van de ramp in Jaroslavl, een dertig jaar oude JAK-42D. Nu geldt dat vliegtuig als technisch zeer betrouwbaar, maar dat zegt niets in een land waar als gevolg van corruptie, bezuinigingen en achterstallig onderhoud ieder vliegtuig zo maar uit de lucht kan vallen.  

Toch voelde ik me afgelopen vrijdag redelijk veilig, omdat twee dagen na een ramp ieder vliegveld op zijn hoede is. En dat bleek inderdaad zo te zijn. Wel werd  ik  enigszins zenuwachtig bij het zien van de JAK: een aftandse kist, die vliegmaatschappij UTAir  van een Tataarse luchtvaartonderneming had gehuurd - terwijl het ticket toch 500 euro kostte en de maatschappij dagelijks op Oesinsk vliegt.

Van buiten zag het toestel er hopeloos uit. Gelukkig lwam, toen we eenmaal op onze plaatsen zaten en al een half uur vertraging hadden, het verlossende bericht: ,,Als gevolg van technische mankementen, stappen we over drie uur over op een ander vliegtuig.”

De drie uur wachten op het vernieuwde en gigantische Moskouse vliegveld Vnoekovo, waar enige ‘bewijzering’ leek te ontbreken, maakten mijn mede passagiers alleen maar zenuwachtiger, omdat niet duidelijk was met wat voor een toestel we nu zouden vliegen.

De voortekenen werden alleen maar somberder. Want de bus die ons uiteindelijk naar ons nieuwe vliegtuig bracht reed naar de verste uithoek van de luchthaven, voorbij het vliegtuigkerkhof, over oude, betonnen startbanen, naar een tweede dertig jaar oude JAK-42D, gehuurd van dezelfde Tataarse luchtvaartmaatschappij.

Met een zwaar gemoed liepen we de trap in de staart op. De stoelen waren doorgezeten, de verf in de bagagevakken bladderde af, de stewardessen waren humeurig. Het moest allemaal op een koopje, zoals ijshockeyteam Lokomotiv-Jaroslavl ook op een koopje naar Minsk reisde. U begrijpt dat de stemming onder de passagiers met de minuut verslechterde.

Toen we opstegen en ik omkeek, zag ik dan ook vele lijkbleke gezichten achter me. Maar alles ging geruisloos en soepel en na twee uur en vijftig minuten landden we met een enorme vaart op de antieke luchthaven van Oesinsk, waar mijn koffer even later via een doorgeefluik op de kleine bagageband werd gelegd. Enkele van mijn medepassagiers biechtten op dat ze doodsangsten hadden uitgestaan tijdens de vlucht. Maar we waren geland.

Buiten wachtten de muggen ons op, vaste zomerbewoners van dit gebied op 50 kilometer van de Poolcirkel. Sinds drie dagen waan ik me dan ook in W.F. Hermans’ roman Nooit meer slapen.