Wij woonden nog veilig thuis op 11 september

Ze waren tieners op 11 september 2001. In hun vormende jaren ervoeren ze hoe de aanslagen in de Verenigde Staten de Nederlandse samenleving beïnvloedden. Zonder 9/11 geen Pim Fortuyn, geen Mohammed B., geen debat over de multiculturele samenleving. Het dwong ze tot intensere reflectie op hun (islamitische) identiteit, en op die van de Nederlandse natie. Na 9/11 begon ook hun politiek ontwaken. Er werd evengoed afgerekend met politiek correct denken, als naar een middenweg gezocht in een verhit debat dat door extremen werd getekend. Tien jaar later blikken ze terug.

Tekst Hassan Bahara

Fotos Evelyne Jacq

Nederland, Utrecht, 01-9-2011. Foto Evelyne Jacq. Coen Brummer
Nederland, Utrecht, 01-9-2011. Foto Evelyne Jacq. Coen Brummer Evelyne Jacq

In Mohammed B.’s ogen ben ik verpersoonlijking van ’t kwaad

Nathan Bouscher (28) is student internationaal recht en was stafmedewerker van het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI).

Veel mensen die zich net als ik achter Israël scharen, dachten op 11 september 2001: ‘Dit is de islamitische agressie waar Israël dagelijks mee te maken heeft. Nu komt die agressie ook naar het Westen toe.’

„Als het gaat om terreurdreiging is er, denk ik, sindsdien weinig veranderd in Nederland. De AIVD meldde een paar jaar geleden dat er in Nederland twintig tot dertigduizend potentiële jihadisten rondlopen. Dat zijn mensen die nu misschien nog braaf naar hun werk gaan maar die – als bij hun de verkeerde snaar wordt geraakt – bereid zouden kunnen zijn om de jihad, de heilige oorlog, te voeren. Ik denk dat om die twintig- tot dertigduizend potentiële jihadisten een grotere groep mensen heen staat die zelf misschien geen terroristische daden zullen plegen maar er wel voor zullen klappen of dat al hebben gedaan.

„Als jood ben je nu eenmaal minder blind voor de dreiging van terreur. De moord op Theo van Gogh kwam niet als een verrassing voor mij. Het hing in de lucht, en wat mij betreft hangt het nog steeds in de lucht. Het zou mij niet verbazen als over niet al te lange tijd zoiets weer gebeurt. Wat mij vooral trof, was het briefje dat Mohammed B. op het lichaam van Van Gogh had geprikt. Daarin werden de VVD en Ayaan Hirsi Ali ervan beticht dat ze onder de invloed staan van zionisten. Door de jodenhaat die zo duidelijk uit de daad sprak, voelde ik mij nog meer aangevallen. In Mohammed B.’s ogen ben ik de verpersoonlijking van het kwaad: ik ben joods, ik ben westers, ik steun Israël en ik ben rechts.

„Als je kijkt naar daders van antisemitisme de afgelopen tien jaar in Nederland, dan is een relatief groot aantal van Marokkaanse afkomst. Ik ben nooit lastiggevallen op straat, maar dat kan ook haast niet want ik draag geen keppeltje of davidsster. Mijn familie heeft in recente tijden niet met openlijk antisemitisme te maken gehad. Stiekem ben ik daar blij om, maar ergens vind ik het ook jammer. Ik heb liever dat antisemieten naar mij komen, naar iemand die zichzelf goed kan verdedigen, dan naar een jonge jongen die in zijn eentje van sjoel naar huis loopt. Zelf loop ik één keer per jaar met een keppeltje over straat. Dan hoor ik meestal positieve geluiden en wordt er ‘sjalom’ naar me geroepen door vooral moslims.

„Ik verwachtte net als bij 11 september dat de moord op Fortuyn ook door een moslim zou zijn gepleegd. Maar het bleek een nertsenvriend. Hierna sloegen jammer genoeg de issues die Fortuyn aanhangig had gemaakt – islam, integratie, immigratie – weer dood. Zelfs de ‘rechtse’ partijen besteedden er geen aandacht meer aan. Opeens ging het over de fuckin’ normen en waarden van Jan Peter Balkenende. De PVV is nu de enige partij die deze thema’s op de kaart zet. Bij de laatste verkiezingen heb ik op ze gestemd. Ik heb genoeg joden in de familie die de oorlog hebben meegemaakt en ook op Wilders stemmen.

„Wanneer het over allochtonen gaat, zijn mensen heel bang om het over religie te hebben. Daarom durven we alleen algemene maatregelen te nemen. Noem het beestje bij de naam. Als er problemen zijn met islamitische scholen, moet je daar specifieke oplossingen op los kunnen laten. Wat veel politici niet durven zeggen is dat als je veel moslims hebt in bepaalde regio’s, ze ook veel meer eisen stellen, zoals de sharia, of vrij op bepaalde feestdagen. Die invloed is niet altijd in het voordeel van andere minderheden. Ik denk daarom dat mijn kinderen en kleinkinderen in de tijd zullen leven van het islamitisch fundamentalisme.”

Ik werd ineens gedwongen mijn ouders te verdedigen

Nadia Ezzeroili (28) is journaliste.

Door 11 september heb ik een belangrijke fase van mijn pubertijd moeten overslaan. Ik kwam in de laatste twee jaar van mijn middelbare schooltijd tegen mijn ouders in opstand. Ik was heel recalcitrant. Ik durfde gewoon tegen mijn ouders te zeggen dat ik twijfels had over de islam, dat ik het er niet mee eens ben dat ze mijn zussen anders behandelen dan mijn broers. Maar door 11 september en in de periode daarna werd ik gedwongen mijn ouders te verdedigen in plaats van tegen ze in te gaan. Ik sloot met hun de rijen tegen een buitenwereld die hen steeds vaker aanviel om het geloof.

„De altijd al sluimerende identiteitscrisis van jongeren met een islamitische achtergrond werd na 11 september pas goed zichtbaar. ‘Wie zijn we nu eigenlijk?’ Die vraag werd steeds belangrijker. Mijn vrienden en ik hopten van hokje naar hokje. Ik zocht het eerst in de islam. Maar dan ging ik bidden en dacht ik: ik moet mij nu eigenlijk spiritueel voelen, maar ik voel niets. Of ik bezocht vrouwenbijeenkomsten in moskeeën. Daar werden debatten gevoerd waarbij de vragen zich beperkten tot: mag ik de dokter een hand geven? Ik werd daar erg boos om. Een vroom meisje reageerde op een van mijn kritische vragen met: „Je keek op een manier alsof je bezeten was.” Dat was de laatste keer dat ik daar was.

„Daarna brak mijn Berberfase aan. Mijn Berberidentiteit is nog steeds belangrijk voor mij. In het Berberhokje leek de positie van de vrouw meer gerespecteerd te worden. En de eigenzinnige Berbercultuur paste meer bij mijn koppige aard.

„De moord op Theo van Gogh vestigde de aandacht op Marokkanen in het bijzonder omdat de dader Marokkaans is. Er verschenen kritische stukken die suggereerden dat onze cultuur niet deugt. Ik ervoer dat als een ontmenselijking. Wat mij nog erg is bijgebleven is een opmerking van de Amsterdamse PvdA’er Marcouch. Hij zei dat er in het Berbers geen equivalent bestaat voor ‘ik hou van je’. Ook dat voelde als een enorme ontmenselijking – alsof wij beesten zijn die geen liefde kennen. Tegelijkertijd moest ik wel erkennen dat het nu eenmaal zo was dat veel van de Marokkanen die ik kende bang waren voor hun vader. Er wordt in gezinnen zelden genegenheid getoond. Godverdomme, Marcouch heeft gewoon gelijk, dacht ik. Dat was heel confronterend.

„‘Groepsdenken is een onherroepelijk teken van middelmatigheid.’ Een citaat van W. F. Hermans. Ik weet nog dat een vriend mij dit mailde en ik realiseerde dat ik mij te veel met een groep, Marokkanen, moslims, heb vereenzelvigd. Als puber probeerde ik mijzelf juist van de groep los te maken, maar door 11 september werd ik gedwongen partij te kiezen. Ik ben dan ook pas gaan puberen na mijn 25ste, toen ik besloot in geen enkel hokje meer te passen.

„Ik heb er een dikkere huid van gekregen. Ik reageer niet meer overdreven verontwaardigd bij kritische geluiden op de Marokkaanse gemeenschap. Ik sta ook onverschilliger tegenover mede-Marokkanen die mijn leven bekritiseren met de Koran in de hand. Ik heb mijn individualiteit terug. Dat ik nu een Nederlandse vriend heb, heeft daar in belangrijke mate aan bijgedragen. Ik weet beter wie ik ben en dat is niet iemand die in hokjes wil denken.

„Een maand geleden heb ik de Nederlandse nationaliteit gekregen. Dat was een ceremonie in aanwezigheid van de locoburgemeester. Ik heb mij deels laten naturaliseren om mijn burgerrechten te waarborgen, want je weet nooit wat de toekomst brengt. Maar met die naturalisatie sloot ik ook een gigantische identiteitscrisis af. Ik ben geboren en getogen in Nederland, maar ik heb nu ook eindelijk zelf mijn Nederlandse identiteit kunnen omarmen.”

Voor mij was de moord op Fortuyn veel indrukwekkender

Coen Brummer (25) is historicus en publicist en studeert filosofie in Utrecht.

Ik geef je op een briefje: over 500 jaar noemen historici 11 september nog steeds een omslagpunt in de geschiedenis. Toen werd het ongemak over de multiculturele samenleving duidelijk. Dat ongemak bestond daarvoor ook, maar was toen nog taboe. Kijk naar voormalig VVD-leider Bolkestein. In de jaren 90 zei hij dat het multiculturele onderwerp enorm belangrijk zou worden. Hij werd weggelachen.

„Ik groeide op in Almelo, daar zit je op afstand van de wereld. De aanslagen heb ik in relatieve luxe kunnen meemaken: ik woonde veilig thuis, was nog heel jong. Ik ben geen moslim of christen, ik was bij niets echt persoonlijk betrokken, behalve dat ik mij maatschappelijk betrokken voelde. Ik kan mij voorstellen dat er anderen waren die zich er wél persoonlijk bij betrokken voelden. Dat zag je ook na 9/11: mensen die plotseling fel anti-islam werden of juist fanatiek anti-rechts. Van dat dogmatische heb ik nooit de zin in gezien.

„Zelf had ik op elf september 2001 nog niet het gevoel dat onze levensstijl werd aangevallen. Voor mij was de moord op Fortuyn veel indrukwekkender. Die gebeurtenis heeft mij meer het maatschappelijk debat ingetrokken dan 11 september. Ik denk dat dat voor heel veel mensen van mijn leeftijd geldt. Politiek werd pas met Fortuyn spannend, het ging ergens over. En het multiculturele vraagstuk werd toen boeiend voor iemand zoals ik, die tijdens de aanslagen vijftien was en die niet de opiniebijlage van NRC Handelsblad las.

„We moesten een inhaalslag maken in het debat over de multiculturele samenleving. Waren de problemen daarvan eerder bespreekbaar geweest, dan waren de emoties vast niet zo hoog opgelopen. Ik denk dat we inmiddels grotere vraagstukken hebben. We kunnen de verzorgingsstaat over tien jaar nauwelijks nog betalen. Terugkijkend op deze tijd zullen historici zich afvragen waarom we ons zoveel met hoofddoekjes bezig hielden in plaats van met de economie.

„Ook kenmerkend voor de jaren na 11 september was de obsessie met de nationale identiteit. Geschiedenis en filosofie werden gemakzuchtig ingezet om onszelf te definiëren. Ik heb niets tegen gepopulariseerde geschiedenis en als iemand Kant kan uitleggen of helder over het rampjaar 1672 kan vertellen – prima. Alleen: het wordt wel heel erg ingezet als middel. Dat zag je met het Nationaal Historisch Museum, een initiatief van Maxime Verhagen en Jan Marijnissen. Dat moest bevolkingsgroepen dichter bij elkaar brengen. Maar als het niet binnen twee jaar van de grond komt, wordt zo’n museum meteen afgeserveerd.

„Bij de laatste verkiezingscampagne dacht ik: goddank, we zijn klaar met het identiteitsdebat, het gaat over economie. En toen haalde Wilders 24 zetels. Een duidelijke indicatie dat het identiteitsvraagstuk nog steeds actueel is. Ik vind het interessant wat er nu gaat gebeuren, want je zult voorbij het punt moeten komen waarop we het steeds maar weer over onze historische achtergrond hebben. Het is goed om te benadrukken, als land, welke specifieke waarden je belangrijk vindt. Maar als je Nederland afschildert als een land met louter een joods-christelijke cultuur, dan vergeet je veel invloeden, zoals de klassieke Griekse en Romeinse. We moeten echt naar het punt toe dat gedrag belangrijker is dan achtergrond en je link met de staat puur juridisch is. Iedereen is dan staatsburger.”

De geïnterviewden droegen een essay bij aan de bundel WTF?! Volwassen worden na 11 september. De auteurs gaan met elkaar in debat op 11 september, 16:00, in De Unie, Rotterdam. Entree gratis.