Veranderend China

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De Internationale Boekenbeurs in Peking heeft het opnieuw bewezen: China komt steeds dichterbij. In Amsterdam zie ik het dagelijks als ik langs het Rijksmuseum en het Van Gogh kom: steeds meer Chinezen die in de rij staan om tot het werk van onze oude meesters te worden toegelaten. Al jaren geleden heeft onze grote architect Rem Koolhaas in Peking een geweldige televisietoren gebouwd. Koen Wessing, de scherpe en moedige fotograaf, begin dit jaar gestorven, maakte reizen naar China en kwam terug met een rijkdom aan beelden uit het dagelijks leven. Rusteloze massa’s, wolkenkrabbers, uitgestrekte krottenwijken. Alles onbegrijpelijk groot en veel. China is onvermijdelijk.

Maar dat was het vroeger ook al. Ter gelegenheid van deze boekenbeurs ben ik in de Chinese afdeling van mijn geheugen gaan graven. In de jaren dertig (v.d.v.e.) had de VARA op zondagavond een radioprogramma, De avonturen van ome Keesje. Een onverschrokken 80-jarige, die samen met ome Daan het kwaad bestreed. De twee heren kregen de opdracht, de robijnenkroon op te sporen. Die was door een zekere Ito, een Chinees, gestolen. Ze gingen op zoek, troffen ergens in de buurt van Shanghai de verdachte aan. Geef op, die robijnenkroon, zei ome Keesje. Ito glimlachte geheimzinnig, schudde zijn hoofd en zei met een Chinees accent: „Ito zeer slim zijn.” Ome Keesje liet een minachtend lachje horen en zei: „Maar ome Keesje nog slimmer zijn.” De robijnenkroon kwam weer in het bezit van de rechtmatige eigenaar.

Voor de oorlog kwamen veel Chinese immigranten naar Nederland. De ondernemendsten openden een restaurant. Anderen gingen van deur tot deur met een blikken trommel vol pindarepen. Niet lekker, vond ik toen, maar die handelaren hadden wel een werkzaam uiterlijk. Kleine, pezige, onvermoeibare kereltjes, altijd met een pet op. Als kind was ik daar van onder de indruk. In Rotterdam vestigden ze zich in de wijk Katendrecht. Na de oorlog ben ik daar vaak Chinees gaan eten, in het restaurant Tsjiong Kok-lau. Op een van de ramen stond in Chinese karakters een lange zin. Op een keer heb ik een van de obers gevraagd wat die betekende. Hij glimlachte minzaam en zei zacht: „Geen vers vlees voor de christenhonden.”

Na de oorlog ging de democratie van Tsjiang Kai-sjek verloren. Mao Zedong begon met zijn Grote Sprong voorwaarts, de Koreaanse oorlog brak uit, Chinese vrijwilligers gingen de Noord-Koreanen helpen, in Pan Moen Jom werd de wapenstilstand getekend en de Chinese krijgsgevangenen mochten weer naar huis. Van de Amerikanen hadden ze allerlei kleding en schoenen gekregen. Bij het passeren van de demarcatielijn gooiden ze al die cadeautjes uit het Westen op een hoop.

Toen vestigde zich de eerste ambassadeur van communistisch China in Nederland. We hadden hier het televisieprogramma Hadimassa. Daar werd de diplomaat geïnterviewd, voor de gelegenheid gespeeld door Ton van Duinhoven. Hij was, vertelde hij in een soort Engels, voor deze post uitgekozen omdat hij voor de oorlog op Katendrecht had gewoond. En, vroeg de interviewer, spreekt u nog Nederlands? Van Duinhoven knikte gretig, glimlachte en zei met een Chinees accent: „Boerelul.”

En nu hebben we in Peking de Internationale Boekenbeurs, met een Nederlandse schrijversdelegatie. Zo’n beurs hoort een triomf van het vrije woord te zijn. In Nederland wordt de vrijheid van meningsuiting beschreven als ‘een groot goed’, maar China is nog altijd een dictatuur, met censuur en wat er verder bij hoort. Wat te doen? Niet gaan? Radicaal alle medeplichtigheid aan de beknotting weigeren? Of toch je koffer pakken om ter plaatse te proberen het lot van je collega’s een beetje te verbeteren. Of gewoon op z’n Hollands de knuppel in het hoenderhok, de kont tegen de krib gooien, je niet laten kisten, je tanden laten zien en ongezouten te zeggen wat je van de toestand denkt? Duivels dilemma!

Ik schrijf dit stukje ver van Nederland. Over de toestand thuis laat ik me inlichten door de Volkskrant van gisteren. In die van maandag las ik dinsdag op de voorpagina dat op de boekenbeurs (waar Nederland de eregast was) ‘een ongemakkelijk gesprek’ was gevoerd. De verslaggever stelt de principiële vraag: hebben de Nederlandse schrijvers zich laten inpakken? Nee. Een van onze delegatieleden vroeg de heer A Lai, voorzitter van de Chinese staatsschrijversbond, afdeling provincie Sichuan wat hij vond van de arrestatie van een paar kritische schrijvers die nu huisarrest hebben. De voorzitter wist van niets. „Ik was de stad uit”, zei hij. Over het bewind had hij niets te klagen. Hij kon alles schrijven en overal kon je zijn boeken kopen. Overigens hield hij zich wel aan de officiële lijn.

Het gaat de goede kant op. Ik dacht aan de demonstratie in 1989, op het Plein van de Hemelse Vrede. De foto van de man die moederziel alleen een colonne tanks tot stoppen heeft gedwongen. Daar staat hij. Wat is er van hem geworden?