Op de thee bij de jongens van de Hofstadgroep 'Ik doe geen verkeerde dingen'

Ze waren veroordeeld als leden van een terroristisch netwerk. Inmiddels zijn zeven leden van de Hofstadgroep weer vrij, vier van hen zijn uitgezet naar Marokko. Hoe kijken ze terug op de jaren na 11 september 2001, hun keerpunt? „Ik voelde me gebruikt.”

Nouredine in Al Hoceima, op een foto uit zijn eigen collectie.
Nouredine in Al Hoceima, op een foto uit zijn eigen collectie.

In de lobby van hotel Mohammed V aan de rotsige kust van Al Hoceima wachten we op Nouredine. Hij is een van de hoofdverdachten uit het proces tegen dertien vrienden van Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh. Zij stonden in 2006 terecht als leden van een crimineel en terroristisch netwerk, door de AIVD de ‘Hofstadgroep’ genoemd.

In juni 2005 werd Nouredine met een doorgeladen machinegeweer opgepakt op het Amsterdamse station Lelylaan. Hij kreeg negen jaar cel, waarvan hij er zes uitzat in de speciale terroristenafdeling van de extra beveiligde inrichting in Vught. Twee maanden geleden werd hij vrijgelaten en als ongewenst persoon teruggestuurd naar Marokko.

Deze middag laat in augustus heeft hij ermee ingestemd ons te ontmoeten. Eindelijk. Andere jongens uit de Hofstadgroep zeiden afstand tot hem te bewaren, omdat ze hem niet vertrouwen. „Wat moest hij met dat machinegeweer”, vroeg zijn voormalige vriend Fahmi zich hardop af. „Mede door hem hebben wij een hogere straf gekregen.”

Bij het toegangshek van de residentie van de koning, naast het hotel, patrouilleren agenten. Zou hij daarlangs durven? Klokslag vijf uur stapt hij het hotel binnen, vergezeld door zijn oudere broer Mohammed. Hij is klein en tenger, 28 jaar. Hij draagt een bril met smalle brede glazen en hij giechelt onophoudelijk. Hij spreekt bijna foutloos Nederlands.

Nouredine wil over zijn leven praten, toen, in de gevangenis en nu. Maar onze vragen over de strafzaak zal hij niet beantwoorden, zegt hij.

We willen toch graag weten wat je met dat doorgeladen machinegeweer deed, zeggen wij.

„Daar heb ik spijt van”, zegt hij. „Ik ben barmhartig.” Hij verwijst naar de pleitnota van zijn advocaat Victor Koppe: Nouredine had het geweer bij zich om zich te kunnen verdedigen tegen de gek geworden ex-man van zijn vrouw Soumaya.

Maar was een mes of een pistool dan niet voldoende geweest?

„Ik was niet onderweg naar een aanslag, maar ik had dat geweer niet mogen hebben. Dat is verboden. Ik was in Nederland als gast, en ik deed dingen tegen de wet. Daar heb ik spijt van. Wij zeggen in het Arabisch: het geweten is de bewaarder van je hart. Ik heb in die tijd dingen gedaan tegen mijn geweten in.”

Hij moet er in Marokko nog steeds voor boeten, zegt Nouredine. Toen hij eind juni in Al Hoceima de vliegtuigtrap afdaalde, stond zijn familie achter het glas van de luchthaven te wachten. „Ik zag mijn moeder staan en ik zwaaide. Meteen gooiden Marokkaanse agenten een jas over mijn hoofd en voerden me af. Ik werd zes dagen verhoord. Dat snapte ik wel.”

Hij heeft geen paspoort of identiteitskaart. Hij kan geen geld opnemen bij de bank en zijn familie kan dat ook niet. Vanaf het balkon van het hotel wijst hij naar een paar rechercheurs op het plein verderop. „Die volgen me, maar ik hoef alleen verantwoording af te leggen aan de recherche in Casablanca.”

En zijn familie? Is die blij hem terug te hebben? „Mijn oma wil graag dat ik bij haar kom wonen in Midar, mijn geboortestad. Mijn moeder zegt: ‘Blijf bij mij.’ Dat is een dilemma. Mijn vader woont met zijn tweede vrouw in Tanger. Via hem zou ik daar kunnen gaan studeren.”

We spreken af Nouredine later nog eens te ontmoeten bij een familievriend even buiten Al Hoceima.

Laakkwartier

We zijn op zoek naar de jongens van de Hofstadgroep. Een groep jongens, de meesten van Marokkaanse afkomst, die vanaf 2003 bij elkaar kwam bij Mohammed B. thuis en die onder leiding van een geestelijk leider, Abu Khaled, radicaal islamitische denkbeelden uitwisselde. Abu Khaled verliet Nederland op de dag na de moord op Van Gogh en werd nooit meer gevonden. Jason W. en Ismaïl A. verschansten zich acht dagen later in een huis in het Haagse Laakkwartier en gooiden een granaat naar de politie.

Vier van de Hofstadjongens zijn de afgelopen jaren na hun gevangenisstraf als ongewenst persoon uitgezet naar Marokko, het land waar ze geboren zijn. Of ze nu een verblijfsvergunning hadden of niet. Waar zijn ze terechtgekomen? Hoe kijken ze terug op de jaren na 11 september 2001, hun keerpunt? En hoe gaat het nu met ze?

Een van hen, Zine Labidine, probeert rond te komen in Rabat. De andere drie vinden we terug in de noordelijke kuststad Al Hoceima. Ze wonen op een steenworp afstand van elkaar in een volksbuurt tussen voetballende jongetjes, oude vrouwen in traditionele kledij op de zandkleurige trappen naar de zee en schreeuwende groenteverkopers. Fahmi en Mohammed zien elkaar bijna elke dag. Nouredine is op zichzelf.

Zes dagen na de moord op Theo van Gogh hadden we Fahmi aangetroffen in het huis van zijn ouders in Amsterdam-West. Klein, met baard, weggedoken in de capuchon van zijn jas. Hij vertelde over de huiskamerbijeenkomsten en over Abu Khaled, de wijste man van allemaal. Over de schok van de aanslagen op 11 september en de solidariteit die hij had gevoeld met de terroristen. Zijn hoogste doel was toen om de Koran in een keer zonder onderbreking uit te lezen, khatim heet dat. Hij oefende erop. Van de moord op Van Gogh, zei hij, had hij niets afgeweten.

Via zijn broer Redouan, die nog in Amsterdam woont en een oom, die garage-eigenaar is in de Tarik Ibn Ziad, de hoofdstraat van Al Hoceima, vinden we Fahmi terug. De oom schudt bedroefd zijn hoofd als we naar zijn neef informeren en wijst de weg naar de ijzerwarenwinkel om de hoek. „Fahmi, Fahmi”, zucht hij.

We staan in een kleine winkel, met langs de muren honderd laatjes vol spijkers en schroeven. In de glazen toonbank liggen douchekoppen en glitterverf. Achter ons duikt een grote man op met kortgeknipt haar, een zonnebril op zijn voorhoofd en een baard. „Ik heb hier een kleine Praxis geopend”, zegt hij trots.

Fahmi is 29 jaar en woont boven de zaak. Drie jaar geleden trouwde hij de vrouw, die buiten een niqaab draagt. Daar zijn er niet veel van in Al Hoceima. Baarden en niqaabs, zeggen de inwoners van de stad, zijn geïmporteerd uit West-Europa. „Als je tegen de islam drukt, maak je ons geloof sterker”, verklaart Fahmi. „Veel moslims voelen zich in Nederland niet thuis. Wij zijn geïslamiseerd door Ayaan Hirsi Ali, Theo van Gogh en Wilders, maar vooral door haar. Door haar veranderden wij.”

We wijzen op zijn baard. „Ja”, zegt hij, „ik bid vijf keer per dag. Als het niet regent, bid ik in de moskee. Ik rook niet, ik drink niet. Daar staat de baard voor. Ik geloof in Allah. Het komt door Allah dat ik in 2004 op een dwaalspoor raakte. Hij heeft me op de proef gesteld. Het komt ook door Allah dat ik de rust en diepgang in mijn geloof weer heb gevonden.”

Hij zet zijn zonnebril op zijn neus. „Als je gevaarlijk bent, als je een aanhanger bent van Takfir wal Hijra [de ideologie van de gewelddadige politieke islam] dan draag je juist geen baard. Dan zorg je ervoor dat je er van de buitenkant niet als een praktiserende moslim uitziet.”

Hij heeft zijn vrouw via de man van haar zus ontmoet, zegt Fahmi. „Die kende ik uit de moskee. Ik keek naar haar familie, of die respectabel was en religieus. Dat was zo. Zij heeft mij een paar vragen gesteld. Nee, niet over mijn verleden in Nederland. Ze vroeg: ‘Wat doe jij?’ en ‘Waarom wil je trouwen?’ en ‘Ben je al eerder getrouwd geweest?’ Alles kwam op zijn pootjes terecht.”

Inmiddels heeft Fahmi een zoon van bijna twee jaar en een dochter van tien maanden. Het huis in de straat op de berghelling is van zijn vader. Hij heeft geen e-mailadres en geen bankrekening – „Ik heb de bank niet nodig en zij mij niet.” Hij verdient ongeveer twintig euro per werkdag, zegt hij. „Geld is een probleem.” Af en toe krijgt hij wat toegestuurd, van zijn broer of vader.

„Op de dag dat Theo van Gogh werd vermoord, schrok ik heel erg. Ik had nooit gedacht dat Mohammed zo gevaarlijk was dat hij zijn plan zou uitvoeren. Ik ging om met de verkeerde jongens, gewelddadige jongens. Ik las de verkeerde boeken: boeken van islamitische geleerden die wilden dat ik het westerse systeem zou verwerpen en iedereen die ongelovig is. Ik las in die tijd ook: ‘Als iemand een kafir [ongelovige] is, moet je hem slachten’, maar dat is een theorie. Ik dacht aan mijn ouders, ik dacht aan mijn baas, de aannemer Ton Joorse. Die was geen moslim en toch een goede man.

„Ik heb er spijt van dat ik in het huis van B. ben geweest. Ik was een puber. Ik had alles wat Abu Khaled zei serieus genomen, maar ik ben er nooit echt van overtuigd geweest. Ik voelde me gebruikt.”

In de rechtbank bleef je anders zitten, zeggen wij. Die respecteerde je niet.

„Ik stond niet op in de rechtbank, maar dat was niet uit gebrek aan respect. Dat ik bleef zitten, betekende juist dat ik respect had.”

Volgens de AIVD had je plannen om in oktober 2003 met Samir een aanslag te plegen.

„Nee.”

Er werd een tas bij jou thuis aangetroffen met kunstmest en andere mogelijke ingrediënten voor een bom.

„Ik wist niet wat er in die tas zat.”

Tijdens een afgeluisterd telefoongesprek zei je: ‘We gaan een wedstrijd spelen.’ Dat zou een code zijn geweest voor ‘een aanslag plegen’.

„Dat ging maar over één ding: voetbal.”

Volgens het politiedossier zou je contact hebben gehad met de hoofdverdachte van de aanslag in Casablanca in 2003.

„Die ken ik niet eens.”

„In het huis van bewaring in Lelystad dacht ik: waar slaat dit op? Ik had werk, ik had het goed in Nederland. Met wie ben ik in zee gegaan? Die moord helpt niet. Dan kun je iedereen wel vermoorden. Die moord heeft slecht uitgepakt voor alle moslims in Nederland.”

In december 2006 arriveerde Fahmi in Al Hoceima. Hij slikt, kijkt naar de grond. „Mijn ouders waren er. Ik had ze twee jaar niet gezien. Ik zag mijn vader, die altijd zo bezorgd was. Ze stonden daar en zeiden niets. Mijn vader was al ziek. Ze schaamden zich, dat kon ik zien. Mijn vader zei: ‘Je hebt jezelf te schande gemaakt.’ Dat vond ik heel erg.”

Taikwandoschool

Waar Mohammed el M. woont, de derde persona non grata, wil Fahmi niet zeggen. „Van Mohammed weten we één ding: hij beoefent op wedstrijdniveau taikwando. We komen via de taikwandoschool aan de hoofdstraat bij de trap met 64 treden naar het huis van Mohammed.

Een rijzige man met donkere krullen en een olijfgroene gandora doet het traliehek open. Hij stelt zich voor als Mohammed en is dertig jaar. „Ik had jullie al verwacht”, zegt hij. Om hem heen cirkelen Nederlands sprekende kinderen, zijn nichtje uit Amsterdam. Zelf spreekt hij geen Nederlands meer, we praten via een tolk.

In de koele achterkamer, op de door hem zelf gelegde tegelvloer, vertelt Mohammed dat hij kort na zijn terugkeer is getrouwd. Hij heeft twee zoons, een van twee jaar, een van een maand oud. En hij woont net als Fahmi in het huis van zijn ouders, die zelf in Nederland verblijven. Zo zelfverzekerd als hij eruit ziet, zo afhankelijk blijkt Mohammed te zijn. Van zijn familie in Nederland. „Ik wil weer terug naar Nederland. Ik had een verblijfsvergunning. Mijn vader onderhoudt me. Werk is hier niet. Ik heb ook geen vak. Ik heb wel klussen gedaan, als schilder, als tegelzetter, maar allemaal tijdelijk.”

Mohammed zat twee jaar en een paar maanden vast in De Zwaag in Hoorn. „Op de dag van de moord legde ik een taaltoets af om het Nederlands paspoort te krijgen. Dat was ’s middags om twee uur. Pas die avond hoorde ik op tv wat Mohammed B. had gedaan. Ik dacht nog: of de dader is gek of hij wil de islam in een kwaad daglicht stellen. Een paar dagen later werd ik op mijn werk, ik was chauffeur, gearresteerd.”

Ook Mohammed heeft spijt van de bijeenkomsten in het huis van B., maar hij voelt zich slachtoffer. Van justitie: „Na mijn arrestatie vroeg ik de agenten: ‘Waarom zit ik hier? Ik heb niets gedaan. Jullie hebben niets bij mij gevonden en toch ben ik een terrorist.’ Hoe kan ik in een rechtsstaat in de gevangenis belanden?” En van zijn vrienden: „Hoe kan het dat zij met zulke dingen bezig waren en ik dat niet wist? Ik ben in de maling genomen door Abu Khaled. Ik ben dubbel genaaid.”

Hoe heeft Abu Khaled je misleid?

„Zijn preken waren ontzagwekkend. Hij kon een mooi betoog opbouwen. We waren jong en namen aan dat alles wat hij vertelde ook de waarheid was, bijvoorbeeld over tawheed [de eenheid van god]. Maar zijn interpretatie van tawheed was niet helemaal correct.”

Wat klopte er niet?

„Ik weet het niet meer. Mijn geheugen laat me in de steek. Ik ben ook kwaad op Mohammed B.”

Heb je hem dat wel eens gezegd?

„Mohammed B. was tijdens de rechtszaak tegen de Hofstadgroep in slaap gevallen. Toen hij wakker werd, wees ik naar zijn been. Dat was verbonden, omdat hij een schotwond had. Ik zei: ‘Wat zielig voor je.’ Hij antwoordde: ‘Jij bent juist zielig.”’

Waarom zei hij dat, denk je?

,,Misschien omdat ik erbij was gelapt, bij de moord.”

Nu is Mohammed somber en depressief. Hij houdt een kussen van de bank op zijn schoot gedrukt. „Ik heb niet het gevoel dat mensen met een strafblad in Marokko worden afgeschreven, maar ik lijd wel onder de schaamte ervan. Ik heb psychische problemen. Ik heb nergens zin in. Ik loop weg voor de dingen.”

Als we op de terugweg Fahmi tegenkomen, vragen we of hij ook kwaad is op zijn oude vrienden. „Ik ben kwaad op Jason, Ismaïl en Nouredine. Zij hebben na de moord domme dingen gedaan die in mijn nadeel waren. Nu ben ik mijn verblijfsvergunning kwijt, terwijl ik ooit graag terug wil naar Nederland.

„Ik heb Nouredine deze zomer weer ontmoet. ‘Wat hebben jullie gedaan’, riep ik. We groeiden samen op. We voetbalden samen. Vroeger vertrouwde ik hem in alles.”

Vijgenbomen

We nemen de weg door de ronde bergen naar het zuiden. Even buiten Al Hoceima woont een familievriend van Nouredine, die zijn eigen huis bouwt naast zijn boomgaard met vijgenbomen, citroenbomen, zijn moestuin met aubergines en meloenen. We nemen plaats op het platte dak van het huis in aanbouw, terwijl de vriend ons herrera, Marokkaanse maaltijdsoep, en ratatouille opschept. Na het eten haalt hij de hasjpijp te voorschijn. Nouredines broer Mohammed bouwt een joint. Nouredine rookt niet mee.

„In Nederland regende het geld”, zegt zijn broer, die als griffier bij de rechtbank van Al Hoceima werkt. „Dat was het beeld dat iedereen in Marokko had. Zo dacht Nouredine ook. Hij vertrok naar Europa.”

„Ik was zestien”, zegt Nouredine. „Mijn broer had geen werk, mijn vader had ons verlaten. Ik wilde werken om te helpen en vertrok via Spanje en Portugal naar Nederland. Ik was moslim, maar niet praktiserend. Ik werkte een maand hier en een maand daar. Bij een bakker in Veenendaal, bij het belhuis in Schiedam, waar ik Abu Khaled ontmoette.”

We veren overeind. Abu Khaled, de geestelijk leider van de Hofstadgroep. Wat gebeurde er toen? Maar Nouredine is niet van plan de regie uit handen te geven. „Wacht even. In diezelfde tijd, rond 2000, kwam ik ook bij het hippe Marokkaanse jongerencentrum Argan in Amsterdam. Ik keek bij welke groep ik me kon aansluiten. Ik zocht.

„In je puberteit ben je fanatiek, enthousiast in alles wat je doet: in de liefde, in de religie, in je politieke opvattingen. Je ziet dingen zwart-wit. Alles is heftig, simpel en overzichtelijk. Ik zei dingen als: ‘Joden zijn de oorzaak van alles.’ Je wilt een zaak verdedigen. Geef me een zaak en ik ga ervoor op de barricade.”

Toen kwamen 11 september en de war on terror. De westerse wereld was in het hart getroffen, maar de islam ook. „De islam is een gevoelige zaak. We voelden van huis uit een diepe liefde en die werd op de proef gesteld. Dat gold voor de jongens die bij B. thuis kwamen. Net op dat moment kwamen we iemand tegen die misbruik van ons fanatisme maakte.

„Abu Khaled riep niet op tot geweld. Hij was een man van de theorie. Veel jongens zaten op internet, ze zweepten elkaar op. Ik voelde me niet helemaal onvrij in gezelschap van Abu Khaled. Ik durfde hem tegen te spreken. Ik ging met hem in debat, al was ik misschien de enige. Ik was niet echt een vriend van Abu Khaled.”

Dit klinkt als een organisatie met een leider.

„Het was geen organisatie. De PvdA’er Ahmed Marcouch vergeleek de Hofstadgroep ooit met een bijbelkring. Het was niet alleen het geloof dat ons verbond. Het is een gevoel van saamhorigheid, gezelligheid, lotsverbondenheid. En als je samen bent, ga je ook naar de moskee.”

En die wapens dan?

„Als B. die moord niet had gepleegd, waren wij niet opgepakt. Dan hadden ze niet gezegd: jullie zijn medeverantwoordelijk. We hadden ieder een eigen verantwoordelijkheid – ik wist niets van de plannen voor de moord. Het is wel zo dat het moslimextremisme een rol heeft gespeeld bij de opkomst van Wilders. Wij hebben met onze acties de samenleving en de moslimgemeenschap in Nederland schade toegebracht, de angst aangewakkerd. Ook ik ben daar verantwoordelijk voor.”

Dacht je zo toen je werd aangehouden?

„Ik wist niets van Nederland toen ik werd opgepakt. Ik sprak de taal niet, met vrienden sprak ik Berbers. Ik had alleen contact met Marokkanen. Ik leefde geïsoleerd. Dat isolement is in de gevangenis doorbroken. Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met de Nederlandse samenleving. Noodgedwongen.

„De eerste jaren heb ik Nederlands en Engels geleerd. Die moest ik beheersen om studieboeken te kunnen lezen. De laatste twee jaar heb ik psychologie gestudeerd via de Open Universiteit. Ik heb van de gevangenis mijn school gemaakt. Alle kansen die ik daarvoor heb gemist, heb ik daar gegrepen. Mijn neef uit Haarlem betaalde mijn studie en begin dit jaar zei de gevangenisdirecteur: ‘Die boeken gaan wij betalen.’ Ik denk dat ik dat aan mijn goede gedrag te danken had. Hij was erg aardig.”

Gemurmel

Nouredine trekt zich terug om te bidden. Vanachter een witte tent klinkt zacht gemurmel. Het is inmiddels aardedonker geworden. De familievriend steekt een lamp aan en even later voegt Nouredine zich weer bij ons aan tafel.

„Ik ben daar niet meer in de eerste plaats met het geloof bezig geweest. Ik was met mijn studie bezig. Ik las Marx, ik las kranten, ik keek naar Pauw en Witteman en De Wereld Draait Door en ik discussieerde in de recreatiezaal met Jason en Samir over de islam. Jason is geen moslim meer. Hij las Dawkins’ God als misvatting. Hij houdt van filosofie en geschiedenis. Ik hoop dat hij in de wetenschap terecht komt. Samir was stiller.

„Ik ben moslim gebleven, maar de islam is niet langer de hoofdmoot van mijn leven. In de gevangenis las ik soms in de koran om rust te vinden. Maar nooit meer dient die als bewijs.

„Ik had veel verkeerde beelden. Kennen jullie het verhaal van de blinden en de olifant? Aan drie blinden wordt gevraagd een olifant te beschrijven. De eerste voelt aan zijn poot en hij concludeert: ‘De olifant lijkt op een boomstam.’ De tweede voelt aan zijn oor en zegt: ‘Nee, de olifant lijkt op een deken.’ De derde voelt zijn buik. ‘De olifant lijkt de aarde wel’, zegt hij. Dan mengt een man die kan zien zich in het gesprek. Hij zegt: ‘Geen van jullie heeft ongelijk, maar jullie zien slechts een deel van de werkelijkheid.’

En hoe zie je de olifant nu?

„De olifant is weg.” Hij giechelt. „Ik beweer niet dat ik nu de hele waarheid zie, de hele olifant, maar er waren tijden dat ik een deel van de waarheid aanzag voor de hele waarheid. In de theorie van Takfir wal Hijra [een ongelovige moslim mag ter dood worden gebracht] was alles waar of niet. Dat klinkt mij nu kinderlijk in de oren. Ik ben sceptischer geworden, ik lees met een bredere bril.” Hij wijst naar zijn montuur.

„Als je denkt dat je de waarheid kent, is dat fijn. De anderen zijn fout. Daarom was de Takfir-theorie zo populair bij ons. Lekker simpel. De theorie van Wilders is te vergelijken met de Takfir-gedachte. Het is voor onzekere mensen die hun identiteit kwijt zijn. Ze klampen zich vast aan iets wat zekerheid biedt: de Takfir-gedachte in ons geval. En voor PVV’ers: het Nederlanderschap. Wilders biedt schijnzekerheid. Vervolgens veroordeelt hij mensen die anders zijn en sluit ze uit. Osama Bin Laden redeneerde ook zo.”

Snelle seks

Volgens de verklaringen van strenge moslima’s die in 2003 en 2004 omgingen met de vrienden van Mohammed B. sloot Nouredine wel vier keer een tijdelijk islamitisch huwelijk, vaak tot grote ontzetting van de ouders van de betreffende meisjes. Voor de snelle seks, bleek later uit hun verhoren.

„Ik ben gek op meisjes”, roept hij uit. „Met meisjes kun je lachen, chatten, telefoongesprekken voeren. Met meisjes is het gezellig. Ik ben met Malika en met Soumaya islamitisch getrouwd geweest. Ik was verliefd op ze. De rest van de beweringen is niet waar. Van de broeders, de vrienden die bij B. thuis kwamen, mocht ik niet met meisjes praten. De meisjes kozen zelf voor een niqaab. Ze wilden onderdanige vrouwen zijn.

„Soumaya was anders. Ik had haar ontmoet bij opa en oma in Midar toen ze tien of elf jaar oud was. Ze verenigt twee culturen: ze heeft de sterke wil die hoort bij het individualistische Nederland en ze koestert haar familie, dat is haar Marokkaanse inborst. Ze droeg een niqaab toen. Dat wilde ik eigenlijk niet, haar ouders ook niet. Ze was een moderne vrouw. Als ik aan haar denk, denk ik aan dat lieve meisje. Zij is de vrouw die ik zoek: een onafhankelijke vrouw zonder sluier, die tegelijkertijd zacht en vrouwelijk is.”

Hij staart dromerig naar de contouren van de bergtoppen. Dan is er weer de giechel. „Ik was het vaak niet eens met Samir en Jason als het over vrouwen ging. Jason noemde me feministisch. Met zo’n vrouw zou ik hier in de bergen willen wonen in mijn zelfgebouwde huis. Ik wil mijn studie psychologie afmaken in Tanger. Daarna wil ik psycholoog zijn in Marokko. Ik wil verder. Fouten zijn gemaakt in mijn leven. Ik zie ze als stappen in mijn ontwikkeling.”

Kijkt God ook zo naar je daden?

„Ik doe geen verkeerde dingen. God kijkt naar mijn hart. Ik ben spiritueel, dat geeft me rust. Ik onderscheid het geloof in mezelf van het geloof dat ik in god heb. Ik bid. Iedereen zijn geloof.”