Mi casa

Reiziger van beroep Ivo Weyel logeert in een fout huis.

Rosanna staat ons op te wachten bij het huis in de Toscaanse heuvels dat de volgende twee weken het onze zal zijn. Ze laat ons de hangende terrassen zien, bedolven onder de paarse bougainville, de grote kamers die in elkaar overlopen, de slaapkamers met hemelbedden, hoe de afwasmachine werkt en de airco. We pakken onze spullen uit en toosten met de prosecco die de eigenaar voor ons heeft neergezet. We slaan ons op de borst voor het kiezen van zo een mooi huis. De eerste dag maken we ons het huis eigen, zetten we onze geursporen uit. We prijzen het mooie antiek, de comfortabele fauteuils, de vele ingelijste familiefoto’s waarop stoere mannen in uniform en idolaat kijkende vrouwen, de schilderijen met heroïsche slagvelden, het oorlogsbestek aan de muur, antieke sabels en zwaarden, geweren en pistolen. We trekken lades open, neuzen in kasten en struinen met schuin gekanteld hoofd de boekenruggen af: Mussolini il Duce, Deel I, II en III, Vita e morte del soldato Italiano, Repubblica Sociale Italiana (hé, heette de fascistische partij van Mussolini niet zo?), Ero con Hitler, en toen viel pas het kwartje, al die foto’s met mannen in uniform, die wapens en slagvelden, ’t zal toch niet waar zijn dat we hier het huis huren van een notoir fascist?

Dan gaat de bel. „Buongiorno, buongiorno”, klinkt het door de brievenbus. Voor de deur staat een lief, klein, oud mannetje met wapperend grijs haar, een brede grijns op zijn gezicht waarin nogal wat tanden ontbreken, een stok in de ene hand en een fles prosecco in de andere. „Welcome, welcome in my house”, zegt hij en geeft ons de tweede fles, „everything okay? Rosanne nice, no? She take care of you, mi casa es tu casa, you nice vacation”, en zwaaiend loopt hij het pad weer af.

Mi casa es tu casa, is dat niet Spaans?, vragen we ons af.

„Zeker nog onder Franco gevochten”, oppert iemand half giechelend, maar ook ietwat verbouwereerd. „Gevonden!”, klinkt het uit de bibliotheek, en triomfantelijk komt een van ons aanzetten met een lijvig boekwerk genaamd Generalísimo Don Francisco Franco.

Daar zit je dan in je mooie vakantiehuis met een foute huisbaas. Iemand stelt voor de prosecco leeg te gieten over de duur uitziende bank. „Denk aan de borg!”, roept een ander nog net op tijd, dus drinken we hem maar op.

Zo snel word je dus collaborateur, concluderen we als we de laatste slok ledigen. Voor je het weet neem je spullen aan van verkeerde mensen. En schud je de hand van een fascist. En geniet je van een heerlijke, zorgeloze vakantie onder een besmet dak.