Je zingt een hymne tegen de sterfelijkheid in

De Vlaming Erwin Mortier (1965) moest een boek schrijven over zijn moeder die aan alzheimer lijdt. ‘Er kwam een voile tussen mezelf en de poëzie, en tussen de beleving van de wereld. Alsof mijn zintuiglijkheid doffer werd.’ Zijn boek verscheen deze week.

Amsterdam, 26-08-2011. Erwin Mortier, schrijver. Foto Leo van Velzen NrcHb.
Amsterdam, 26-08-2011. Erwin Mortier, schrijver. Foto Leo van Velzen NrcHb.

Dit boek was geen keuze. Hij moest het schrijven, zegt Erwin Mortier. Had hij dat niet gedaan, dan had hij waarschijnlijk nooit meer een letter op papier gezet. „Ik liep het risico dat mijn schrijflibido werd lamgelegd.” Deze week verschijnt zijn boek over zijn moeder die al tien jaar aan alzheimer lijdt. Een gruwelijke ziekte, schrijft Mortier, „een trage dood”. Hij beschrijft hoe zij almaar hulpelozer wordt en steeds vaker vervlogen woorden vervangt door tranen. „Zelfs walvissen zijn nu communicatiever dan mijn moeder.” Zelf wordt hij een zoon die moet ‘mamasitten’ en rouwt om een levende.

Gestameld liedboek is een heel ander boek dan wat de Vlaming Mortier (1965) tot nu toe schreef. Hij publiceerde gedichten, essays en romans zoals zijn veelgeprezen debuut Marcel en het met de AKO-literatuurprijs bekroonde Godenslaap, waarvan meer dan 100.000 exemplaren zijn verkocht. Dit laatste boek is een soort aantekeningenboek, met brokkelige proza- en poëziefragmenten. Nu eens gaat het in de derde persoon over zijn moeder, dan weer spreekt hij haar aan.

De taal van Gestameld liedboek lijkt wel op zijn vorige werk: bloemrijke beeldspraak. Zijn moeder omschrijft hij als „een levensgroot verdwijnpunt”. Gauwdieven gaan er telkens met een woord of gewoonte vandoor. Hij signaleert hoe zijn moeder „verkiezelt in brokjes glashard Latijn”, als de dokter alleen nog over haar spreekt in termen van „cardiovasculair”. En hij beschrijft haar verbijstering als ze simpele snoeppapiertjes ziet veranderen in „transparante mysteries”.

Hoe ontdekte u: dit moet ik schrijven?

„Zodra de diagnose alzheimer werd gesteld, ze was net 57, begon ik met het maken van notities. Die heb ik in een doos gegroepeerd. Omdat je als schrijver altijd denkt: misschien wordt het ooit een boek. Maar ook om het van me af te zetten. Mijn eerste gedachte was dat, als er ooit iets uit zou komen, ze dood moest zijn. Maar ik werd steeds vaker naar die teksten teruggezogen. Gaandeweg werd dat een wanhopig iets, want ik merkte dat ik me niets meer kon herinneren van de periode voor ze ziek was. Alsof alzheimer ook in de geest van de nabestaanden amnesie verspreidt. Ik merkte dat mijn vatbaarheid voor poëzie afnam, terwijl die voor mij altijd inspirerend werkte en mijn schrijversverbeelding aanblies.

„Er kwam een voile tussen mezelf en de poëzie, en tussen de beleving van de wereld. Alsof mijn zintuiglijkheid doffer werd. Dat kwam door die ontredderende ervaring: in een klein jaar tijd is ze in ijltempo afgetakeld, ik kon het niet behappen. Op gegeven moment zag de schrijver in mij dat er iets moest gebeuren. Anders zou ik zwaar neerslachtig worden.

„Terwijl ik die tekstenberg aan het vormgeven was, begreep ik dat mijn moeder nog moest leven, omdat het dan gaat over die schemerzone waarin je terecht komt als alzheimerpatiënt – en als naaste. Een schemering tussen leven en dood, tussen verhaal en verbrokkeling, tussen taal en zwijgen. De titel kwam ook snel. Je probeert toch tegen de sterfelijkheid in een hymne te zingen. Maar dat lukt niet, dus krijg je zo’n brokkelig portret. Toen het af was, was die donkerte in mij weg. Ik had me niet willen realiseren dat ik in een groot verdriet zat waar ik doorheen moest. Het eerste half jaar was een hel, maar op een ochtend werd ik wakker en dacht: Hé, ik ben weer vrolijk.”

Schrijven als therapie?

„Vroeger was ik daar terughoudend over. Ik vind nog steeds dat het begrip ‘therapeutisch schrijven’ te kwistig wordt gebruikt. Als iemand het heeft over trauma’s verwerken, zeg ik: verwerken doe je met tuinafval of met varkens. Het idee dat je al verhalend ellende kunt oplossen, is onzin. Therapie helpt je wel met de realiteit leven. Dit schrijfproces vertoont daar parallellen mee. Toen het af was, waren de dagen lichter. Ik weet niet wat, maar er is iets veranderd.”

Hoe was uw moeder?

„We hadden thuis vooroorlogse verhoudingen. Mijn vader ging werken, zij zorgde voor de vijf kinderen. Ze was wel heerlijk onconventioneel en kon dierlijk van het leven genieten. Als in de lente de zon doorbrak, trok ze alle kleren uit en ging in een ligstoel de zon opzuigen, als een marmot na een winterslaap. Ondanks de klassieke verhoudingen was mijn vader de warme kracht, zij was in haar emoties geremd. Dat is te verklaren door het verzwijgen van een beladen oorlogsverleden, zoals ik dat in Marcel beschrijf. Ze was wel gastvrij, het was bij ons de zoete inval. ”

Het boek beschrijft de aftakeling, nauwelijks wie zij was.

„Het moest een portret zijn van een ziektetoestand. Wat doet zo’n destructieve neurologische aandoening? Toen de diagnose kwam, liep ik naar de bibliotheek, naar het rek zelfhulp. Ik merkte een discrepantie tussen die boeken en wat wij ondervonden. Mijn boek is niet bedoeld als zoeterige troost. Maar als mensen die zich in gelijkaardige situatie bevinden hierin een op rauwe maar tedere manier herkenning vinden, zal ik daar zeker niet rouwig om zijn.”

Heeft u gekeken naar andere romans over dementie, zoals Bernlefs ‘Hersenschimmen’?

„Ik heb Hersenschimmen gelezen toen het verscheen. Maar Bernlef kruipt in de huid van een man met dementie. Daar is zuivere fictie voor nodig. Bij andere verhalen die ik vond, merkte ik dat er een contradictie is tussen het vormelijk gave proza en het evoceren van dementie, die juist neerkomt op het uiteenvallen van taal.”

Ook Tom Lanoye schreef met ‘Sprakeloos’ een boek over zijn moeder – wat is dat met Vlaamse schrijvers en hun moeder?

„Toms boek is totaal anders. Zijn moeder is allang dood, hij kon er romanesk mee aan de slag. Het is een zelfportret aan de hand van zijn moeder. Een gevecht, een postume moedermoord. Ik zit met een microscoop op de situatie van mijn moeder. Maar het is moeilijk iets over Toms boek te zeggen, ik ken hem goed en heb ook zijn moeder gekend. Een vrouw van wagneriaanse proporties.”

U schrijft: „De sterfelijkheid van vaders is makkelijker te aanvaarden.’’ Waarom?

„Het is een universele waarheid dat al het menselijk leven voortkomt uit de vrouw. En ook, als relaties met ouders getroebleerd zijn, is dat moeilijker als het om de moeder gaat. Dit zit toch dieper.”

Kan het ook zijn dat moeder staat voor het woord en dat het verlies daarvan voor een schrijverszoon moeilijk is?

„De taal krijg je van je moeder, bijna letterlijk met de tepel ingelepeld. De vader is degene die de geschiedenis brengt, de wet, de grammatica. Als schrijver ben ik gevoelig voor de vrouwelijke kant van taal, het vocabulaire, als dichter overtreed ik juist de regels van taal. Het is ook van een enorme symbolische lading dat een van de eerste keren dat ik me afvroeg of er niet iets heel ernstigs aan de hand was met mijn moeder, ze voor een boekenkast stond en niet op het woord ‘boek’ kon komen. In mijn geval speelt het dus zeker. Schrijven is voor mij zeer verbonden met het taaie eeuwig ‘weibliche’. Daarom wordt Godenslaap ook verteld door een vrouw. Achteraf besef ik dat dat klerewijf een ongenadig zielsportret van mij als schrijver heeft gemaakt. Mijn volgende boek heet Vadertaal, het is een pendant van Godenslaap.’’

Gestameld liedboek zit vol ‘found poetry’: het lijkt wel toevallig opgeraapte poëzie, de hakseltaal van Mortiers moeder. Zoals: „Ze stamelt alluviaal: de seringen zijn er nog maar hoe heet het als ze geen bladeren hebben – kaal.” Of: „Wat zijn toch die kliekjes, nee/ klokjes, je weet wel in het gras, op poten daar, ze leggen maar die ene niet”. Dat laatste zei ze, vertelt Mortier, toen ze bij hem was en keek naar zijn kippen in het gras. „Het werpt je terug op de bron van poëzie. Voor mij gaat poëzie over de betekenisruimte van woorden; door ze te combineren kunnen ze betekenissen aannemen die ze oorspronkelijk niet hebben.” Mortiers stijl is altijd poëtisch. In de roman Sluitertijd schrijft hij over meisjes in „jurken van gegiechel”. In dit boek: „De taal heeft haar koffers gepakt.” Met een citaat uit Godenslaap won hij de Tzumprijs voor de mooiste zin: „Ik volg de cadans van mijn handschrift en zoek naar de in letters gestolde, kwezelachtige wellust van het meisje dat ik ooit geweest moet zijn, het wicht dat op de drempel van haar adolescentie haar schriftuur even strak aantrok als de dunne lederen veters waarmee ze haar laarsjes dichtreeg – hoe ze het vlees van het woord in de baleinen van de zinsbouw dwong, tot haar eigen lijf vol striemen stond en ze naar uitbraak verlangde.”

Hoe schrijft u zulke zinnen? Langzaam, schavend?

„Ik werk niet intensief op mijn zinnen. Het komt er in gulpen uit. Van Godenslaap heb ik de vier laatste hoofdstukken in één dag geschreven. Ik schrijf de eerste versie van mijn werk met de hand, in schriften. De linkerpagina’s zijn om nog een zinnetje te kunnen invoegen.”

Uw werk is populairder in Nederland dan in Vlaanderen. Komt dat door die taal?

„Net als mijn Vlaamse kunstbroers en -zussen ben ik meer tot taalexperimenten geneigd. We sjoemelen met taal. Omdat wij met dat Frans naast de deur wonen en omdat onze grote jongens, Hugo Claus en Louis Paul Boon, ons inspireerden. Claus was een echte speelvogel. Ze waren niet imponerend, zoals Harry Mulisch. Niet dogmatisch, zoals W.F. Hermans. En ze waren gul. Claus liet weten hoe blij hij was, toen hij Marcel had gelezen. Dat was wel anders met de grote drie in Nederland. Ik heb Mulisch ontmoet, dat was alsof de Kilimanjaro mij over de sneeuwgrens de hand drukte. Dat stijfdeftige is typisch Nederlands. Die drie kankerden ook altijd op elkaar. Ik wist dat Gerard Reve erg ziek was, toen ik hem hoorde zeggen dat Mulisch een geweldige schrijver was.’’

U veroorzaakte een kleine rel op de begrafenis van Hugo Claus in 2008. U haalde uit naar kardinaal Danneels die had laten blijken dat hij de euthanasie afkeurde van de schrijver die ook aan alzheimer leed. Lag Danneels’ afkeuring voor u extra gevoelig , omdat uw moeder toen al ziek was?

„Het was katholieke gluiperigheid van de eerste orde. Danneels noemde Claus niet eens bij naam. Dan had ik meer respect voor hem gehad. ‘Dit is geen heldendaad. Meneer de kardinaal, schaam je’, heb ik gezegd. Hij had moeten zwijgen, zeker op dat moment. Ik kende Hugo en zijn vrouw Veerle goed. En mijn heftige reactie had absoluut ook te maken met de situatie met mijn moeder.’’

Ooit wil ik een kloeke roman schrijven over het gewemel van stof, zei u eens. Hoezo?

„Dat is mijn onmogelijke verlangen om een boek te schrijven dat als een universum volledig op zichzelf kan bestaan. Zoals Flaubert pocherig schreef aan zijn minnares dat hij een boek wilde schrijven over niets. Een boek dat wordt gedragen door innerlijke kracht en stijl. Dat is het ultieme verlangen dat mijn schrijven aanjaagt. Maar je kunt niet schrijven los van de wereld. Gelukkig maar.”