In tijd van minutenwals Chopin lees je dit stukje

Tijd in machten van tien. Natuurverschijnselen en hun tijdschalen Gerard ‘t Hooft en Stefan Vandoren, Veen Magazines, 219 pagina’s, €42,50.

Moedeloos word je er soms van. Wéér een boek op de stapel. Van een slimme auteur, die er veel tijd in heeft gestoken om uit te leggen hoe de quantummechanica werkt (in 101 vragen, chronologisch, aan zijn hond) of hoe het zit met priemen en andere getallen (met puzzels, dagelijkse voorbeelden of via persoonlijke verhalen). Maar ja, waren over zulke onderwerpen niet al minstens tien boeken geschreven?

En dan ligt er ineens een boek waarvan je denkt: Ja, dat is een goed idee! Zo’n boek is Tijd, in machten van tien van Nobelprijswinnaar Gerard ‘t Hooft en zijn Utrechtse collega-fysicus Stefan Vandoren. Het is geïnspireerd op het befaamde filmpje Powers of ten dat weer losjes gebaseerd was op Cosmic View, The Universe in 40 Jumps dat de Bilthovense pedagoog Kees Boeke in 1957 schreef. Dat filmpje begon met twee mensen op een badlaken en zoomde dan steeds een factor tien uit of juist in – tot aan de grootste schalen in de kosmos of de allerkleinste diep in een menselijke cel.

Tijd in machten van tien doet net zoiets, maar dan dus met tijd. En het mooie is dat ook nu de menselijke maat haast precies in het midden blijkt te liggen – net als bij de ruimtelijke schalen. Vanaf de tijdschaal van een harteklop (1 seconde) bereik je in 44 stappen de kortst denkbare tijdspanne – de Planck-tijd die 10-44 seconde duurt. En er zijn ook zeker veertig stappen nodig om om naar de langste denkbare tijdschalen te gaan (de halfwaardetijd van een proton die minstens 6,6 1040 seconde is).

‘t Hooft en Vandoren lopen die lange, lange reeks in stappen van tien na. Van de harteklop naar de honderd meter sprint (10 seconden voor heel snelle lopers), naar de minutenwals van Chopin (100 seconden, in rap tempo gespeeld), naar het wereldrecord ademinhouden (1.000 seconden voor de meest getrainden) naar de tijd die een Concorde erover deed om van Parijs naar New York te vliegen (ruwweg 10.000 seconden).

Wie dat snel vindt, heeft nog niet genoeg gebladerd. Want er staan in het boek ook genoeg voorbeelden die deze gedachte relativeren. Je kunt daar bovendien fijn mee rekenen, want bij tijd hoort natuurlijk óók gelijktijdigheid. Zo kun je vaststellen dat tijdens de honderd meter sprint een lichtsignaal honderd keer om de aarde kan reizen, een kolibrie duizend keer zijn vleugels kan slaan en een pulsar (een zware neutronenster ver weg in de kosmos) duizend keer om zijn as tolt.

Het is een van de fijne dingen in dit boek: dat ‘t Hooft en Vandoren zoveel voorbeelden geven en zoveel uitgebreide achtergrondinformatie. Als ze de uiteinden van hun ‘machtenladder’ naderen, wordt die toelichting onvermijdelijk nogal abstract. Vooral bij de kleinste schalen, nog net boven de Plancktijd: de zeptoseconde, de yoctoseconde en korter.

Dat leidt ertoe dat dit geen boek is dat je één ruk uitleest, tenzij je misschien alle tijd van de wereld hebt. Maar het is wel een boek dat je steeds weer kunt oppakken. Bijvoorbeeld om te kijken wat er gebeurt in een duizendste seconde: dan vuurt een hersencel één keer (nou ja, dat vergt tweeduizendste seconde, maar terwijl u deze zin leest is het dus al duizend keer gebeurd).

Margriet van der Heijden