Het was Osama bin Laden. Toch meester?

In Ede gingen een paar moslimjongens juichend de straat op na 11 september 2001. De kinderen van groep 8 waren toen nog baby’s. Voor hen is het allemaal van horen zeggen.

Meester Joop van groep 8 projecteert een You Tube- filmpje op het digibord. Een compilatie van uitzendingen van CNN. Het gaat over 11 september 2001, de aanslagen in New York. Voor volwassenen zijn het bekende beelden. Voor kinderen van elf en twaalf niet.

Een vliegtuig boort zich in een wolkenkrabber. ‘Ooooooooh’, klinkt het uit 17 kelen. Zwarte wolken, bebloede mensen. Mensen die uit wolkenkrabbers naar beneden springen, zien we niet. Dit is al heftig genoeg.

Basisschool ’t Palet in Ede. Een knus schooltje midden in een woonwijk. Ongeveer eenderde van de ruim honderd leerlingen is allochtoon.

Joop Tadema zet het filmpje stil en wijst op de tekst onder de beelden: America under attack, staat er. Wat betekent dat? „Dat Amerika wordt aangevallen”, zegt Tessa. „Precies”, zegt Tadema. Hij vertelt dat dat voor het eerst was. „Amerika is zo’n groot en sterk land dat de Amerikanen dachten dat alleen zij anderen aanvallen. Niet andersom.”

Als het filmpje is afgelopen, vraagt hij of ze iets van het Amerikaans hebben verstaan. Linsey hoorde roepen: ‘Oh, my God’. „Dat betekent dat ze ontzettend zijn geschrokken.”

Melroy: „Die flats zijn heel groot, daar werken veel mensen in.”

„Klopt”, zegt Tadema. „Die flats noemen we wolkenkrabbers. Daar past een compleet dorp in.”

Dan vertelt de meester dat de hele wereld wel even leek stil te staan die dag. „Wie van jullie kan zich herinneren dat dit gebeurde?” Twee meisjes steken hun vinger op. „Dat kan niet”, roept Kevin. „Toen waren jullie nog een baby.” Melroy zegt dat zijn vader hem later uitlegde wat er was gebeurd. Dat was toen hij zes was en een herdenking op televisie zag.

Amerika werd aangevallen, zegt meester Joop dan. „Wie was die aanvaller?”

Het is lang stil.

„Osama bin Laden toch”, aarzelt Kevin.

„Ja”, zegt Melroy. „Hij wilde iets ergs doen. Terroristen hebben het echt gedaan. Zij haatten de Amerikanen. Net zoals Hitler de joden haatte.”

Waarom, vraagt meester Joop.

„Iets met geloof”, probeert Lisa.

„Ze hadden ruzie” , zegt Tessa.

Waarom hadden ze ruzie?

Zakaria steekt zijn vinger op: „De Amerikanen geven geld aan Israël. En ze sturen soldaten. Daar waren die terroristen het niet mee eens.”

Joop: „Waarom denk je dat?”

„Ik hoorde het op een Arabische zender”, zegt Zakaria.

Youssri: „Die terroristen zijn eigenlijk geen moslims. Van de islam mag je geen zelfmoord plegen en geen andere mensen pijn doen.”

Zakaria: „Andere moslims kregen de schuld.”

Linsey: „Ik denk dat de moslims erg schrokken dat iemand van hun eigen geloof zoiets deed.”

Youssri: „Mensen die zoiets doen zijn geen echte moslims.”

Meester Joop: „Hoe weet je dat”, Youssri?”

„Dat heeft mijn vader me verteld. Hij vertelde en vertelde. En toen zei ik: ‘Nu weet ik het wel.’ En toen ging hij toch nog door.”

De twee Marokkaans-Nederlandse jongens hebben er thuis over gesproken. Saba, een Marokkaans meisje, zegt tijdens de discussie geen woord. Later zegt ze dat ze zich niet kan herinneren dat het onderwerp thuis ooit ter sprake is gekomen. De andere leerlingen zijn vooral geïnteresseerd in de manier waarop de terreurdaad werd gepleegd.

Melroy: „Die terroristen zijn best wel dom. Als je het doet, kan je het beter met een straaljager doen.”

„Nee, dat valt veel te veel op”, zegt een meisje.

Er is een animatiefilmpje op internet, weet een van de jongens. „Als je dat ziet lijkt het net alsof je in een van die vliegtuigen zit.” Het lijkt meester Joop geen goed plan om dat filmpje af te spelen. Maar hij wil wel een ander animatiefilmpje laten zien. Het lijkt wel een speelgoedvliegtuig dat op een getekend gebouw afvliegt. En het doorklieft. Even kijken de leerlingen ademloos. En dan hebben ze het wel weer gezien.

Sheila Kamerman