'Het Nederlandse vingertje is weer opgeheven'

Schrijver Herman Koch ging op uitnodiging naar de Boekenbeurs in Peking. En moest daar van Amnesty een protestspeldje dragen. „Nooit laat ik me voor het karretje van een actiegroep spannen.”

amsterdam herman koch voor hollands hoogte, details. foto rien zilvold
amsterdam herman koch voor hollands hoogte, details. foto rien zilvold

Een opmerking vooraf: aangezien ik mijn Nederlandse collega’s vrijelijk wil kunnen citeren zonder hun reputatie te schaden in het overgevoelige Nederland, heb ik besloten ze niet met naam en toenaam te noemen.

Donderdag 1 september

De geest landt altijd later dan het lichaam, luidt een Chinees gezegde. Twee dagen na onze aankomst in China. Met collega’s A. , B., en C. breng ik een bezoek aan de Chinese Muur. Niet in groepsverband, zoals de eerste dagen, maar met zijn vieren. Het woord ‘schoolreisje’ viel die dagen nogal eens. In de bus van het vliegveld naar het hotel werden wij geteld, en later in de bus van het hotel naar het theater voor de openingsavond nog een keer. Is er niemand verdwaald? Is niemand ontsnapt of stiekem op zijn kamer gebleven?

Daar ligt hij dan: de Chinese Muur. Dicht tegen de witte wolken en de blauwe lucht slingert hij zich van bergtop naar bergtop. Het is de eerste blauwe lucht die wij zien na de gele nevel die Beijing verstikt, maar mij bekruipt exact hetzelfde gevoel als toen ik voor het eerst bij de Grand Canyon stond: ja, inderdaad, indrukwekkend, maar hoe nu verder?

Mijn drie collega’s hebben precies hetzelfde. De foto’s en de beelden zijn voor ons uit gereisd. Het lichaam loopt over de Muur, maar de geest is ergens in het taxfree-gedeelte van Schiphol de weg al kwijtgeraakt en heeft het vliegtuig gemist.

Vrijdag

Gisteravond gegeten in een Russisch restaurant met mijn Chinese uitgevers (Het diner is deze maand in verschillende edities in Taiwan én op het vasteland verschenen), mijn Nederlandse uitgever en de Chinese literaire agent. Er zijn ook een journalistes van een grote krant en een tijdschrift aanwezig. Niemand is ouder dan veertig, de meerderheid jonger dan dertig, en die meerderheid is ook nog eens voornamelijk vrouw. Er wordt over van alles gesproken, er wordt veel gelachen, de vragen van de journalistes zijn intelligent. De geest lijkt zich weer bij het lichaam te voegen.

Uit Nederland hebben ons intussen verontrustende berichten bereikt. De geschiedenis herhaalt zich: het vingertje is opgeheven en zwaait zijn geen tegenspraak duldende gelijk. „Ik laat me door die betweters de wet toch niet voorschrijven”, heeft collega D. al op dag twee uitgeroepen.

Zaterdag

De verontrustende berichten van het thuisfront nemen in kracht toe. Ik neem me voor om er pas na terugkeer gedetailleerder kennis van te nemen, maar iets sijpelt natuurlijk toch door. Het is een beetje alsof je ergens op vakantie aan een strakblauw bergmeer opeens je schoonmoeder aan de telefoon krijgt die over haar opgezwollen benen begint. Je hebt hier geen zin in, maar je moet je schoonmoeder natuurlijk wel laten uitspreken.

Indrukken opdoen is streng verboden, dat is de teneur van de berichten. Je mag als Nederlander niet kijken, je moet in de eerste plaats iets uitdragen. Je dient iedereen te vertellen hoe het bij ons gaat: hoe het moet.

Ik moet aan lang geleden denken. Aan de typisch Nederlandse uitvinding van de tweematen-meetlat. Collega W.F. Hermans had een serie lezingen gegeven in het Zuid-Afrika van de Apartheid. Daarop ontzegde de toenmalige socialistische burgemeester van Amsterdam, Ed van Thijn, de schrijver de toegang tot de stad. Rond diezelfde tijd bezocht collega Harry Mulisch het door Fidel Castro geregeerde Cuba. Hij schreef er een boek over waaruit wij begrepen dat alles op Cuba beter geregeld was dan bij ons. Later weigerde Mulisch een petitie te ondertekenen waarin om de vrijlating van politieke gevangenen op het paradijseiland werd gevraagd. Maar in tegenstelling tot Hermans mocht Mulisch wel zijn leven lang op het Leidseplein blijven wonen. Rond diezelfde tijd ging onze socialistische premier Den Uyl kamperen in het Roemenië van Ceaucescu, een leider die ook destijds al niet bekend stond als een hartstochtelijk voorvechter van de mensenrechten.

Ik wil hier over één ding meteen duidelijk zijn: ik kom op voor de vrijheid van zowel Hermans als Mulisch om te doen wat ze hebben gedaan. Ik ben geen bewonderaar van de schrijver Mulisch, maar wel van de nieuwsgierige Mulisch die overal naartoe ging zonder zich iets aan te trekken van wat wel of niet zou mogen. Ik bewonder zijn standvastigheid om zijn standpunten van toen niet te herzien, ook veel later niet, toen Cuba als paradijs uit de mode begon te raken.

Zondag

Ik heb intussen veel Chinezen gesproken. Ik heb samen met een Chinese collega opgetreden op de Boekenbeurs. Het publiek bestond voornamelijk uit vrouwen, maar wel gemiddeld vijftig jaar jonger dan het doorsnee bibliotheekpubliek in Nederland. Er wordt gelachen als mijn Chinese collega en ik langs een paar ‘onbespreekbare’ onderwerpen scheren. Het wordt even helemaal stil wanneer ik vertel dat ik op zeventienjarige leeftijd het Rode Boekje van Voorzitter Mao las (nooit helemaal uitgelezen, maar dat gaat niemand wat aan), en een deel van mijn spaargeld overmaakte naar het Nationaal Bevrijdingsfront van Vietnam.

Ik denk aan mijn Spaanse vrouw. Haar lagere en middelbare schooltijd doorliep zij tijdens het Franco-regime. Haar persoonlijke mening, en die van vele Spanjaarden, is dat zonder de zo zichtbare aanwezigheid van miljoenen ‘vrije’ toeristen op de Spaanse stranden de fascistische dictatuur ook na de dood van Franco nog jaren had kunnen voortduren.

Dan denk ik aan mezelf. Ook ik ging in de jaren zeventig naar de landen achter het IJzeren Gordijn, maar nooit naar Spanje omdat dit van het opgeheven vingertje niet mocht.

’s Middags is er een Skype-verbinding met de Manuscripta-beurs in Amsterdam. Samen met collega S. staar ik in de camera van een laptop.

„We zullen het maar niet over de politiek hebben”, zegt de presentatrice. „Dat is hier al genoeg gebeurd.”

„Hoe is het weer daar”, vraag ik.

Maandag

Terug op Schiphol. Nu vindt het omgekeerde plaats als op de heenweg: de geest maakt een harde landing, terwijl het lichaam nog graag een paar dagen langer door de straten van Beijing had willen slenteren. In de aankomsthal overhandigt Suzanne van het Letterenfonds ons een knipselmap met alles wat er in onze afwezigheid over ons geschreven is.

Hoe klein is een land waar een bezoek van twintig schrijvers aan een land met een omstreden regime voorpaginanieuws kan worden, is het eerste wat me al bladerend te binnen schiet.

Schoonmoeder, denk ik daarna. Opgezwollen benen. Nog even niet. Morgen misschien.

Dinsdag

Ik blader door de knipselmap. Ik wil weer weg.

Woensdag

Misschien aardig voor de mopperende thuisblijvers om te weten: zelfs de Chinezen die last ondervonden van ons bezoek, hebben direct of indirect laten weten dat bij een keuze tussen wel of niet gaan, thuisblijven in elk geval niets oplevert.

„Het is goed dat jullie gekomen zijn”, is elke keer weer de boodschap. „Of je daarbij openlijk protesteert of niet, moet je zelf weten. Maar aan thuisblijvers hebben we helemaal niks.”

Donderdag 8 september

Ik heb in het verleden talloze landen bezocht waar de democratische grondrechten niet op dezelfde wijze waren gewaarborgd als in Nederland. Nooit heb ik me op een van die reizen voor het karretje van een actiegroep laten spannen. Ook in de toekomst zal ik dit niet doen.

Morgen vertrek ik naar een festival in Italië (Berlusconi). Deze zomer was ik twee weken op reis door de Verenigde Staten (Guantánamo, waterboarding, Libische dissidenten uitleveren aan Gaddafi). In het voorjaar ben ik uitgenodigd op een festival in Israël (weer een muur, nederzettingenpolitiek, bezetting).

Zal ik een speldje opdoen waarop al deze misstanden alvast aan de kaak worden gesteld, zodat iedereen meteen kan zien hoe je er in Nederland over moet denken? Ik hoor het graag.

En in China hoop ik binnen afzienbare tijd terug te keren, ik heb al een uitnodiging voor Shanghai op zak.

Van geen enkele van deze reizen heb ik spijt: nu niet, toen niet, en in de toekomst niet. Het enige waar ik spijt van heb is dat ik veertig jaar geleden niet naar Spanje ben gegaan.