Een levenslange liefde voor de zon

Astronomie De vlammen en vlekken van de zon kleurden het leven van Kees de Jager (90). Net als de pioniertijd van de sterrenkunde, de Koude Oorlog, zijn jeugd in Indonesië en de onderduikjaren.

Het is zijn eerste herinnering aan het firmament, zegt Kees de Jager (90). Met zijn vader, moeder en zusje ging hij een tante gedag zeggen. Hij was vijf. Ze zouden van Texel naar Nederlands-Indië gaan verhuizen, het huidige Indonesië. Het was al donker. “Zie je die lichte rode en groene strepen in de lucht?’ vroeg mijn vader. ‘Dat is het noorderlicht.’” De Jager kijkt even. “Zo mooi was dat.”

Zijn moeder had hem op de reis voorbereid. “Nu moet je effe luustere, Kees, zei ze in het Texelse dialect. Ze legde uit dat ik voortaan echt Nederlands moest spreken: niet huus zeggen, maar huis. Niet kiek, maar kijk.”

De Jager lacht. Acht jaar geleden verhuisde hij terug naar Texel. In de jaren daartussen ging hij naar school in Indonesië, studeerde hij sterrenkunde in Utecht en werd hij hoogleraar astrofysica bij en directeur van de Utrechtse Sterrenwacht Sonnenborgh. Hij was onder meer secretaris-generaal van de Internationale Astronomische Unie. President van de organisatie COSPAR die de ruimtevaart wereldwijd coördineerde en die in de koude oorlog de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten ‘on speaking terms’ moest houden. Oprichter en eerste directeur van het Laboratorium voor Ruimteonderzoek in Utrecht. En nauw betrokken bij de Europese organisatie voor ruimtevaartonderzoek ESRO, die nu ESA heet, het European Space Agency. De bundeling van functies leverde hem de bijnaam Mr. Universe op.

In de werkkamer die De Jager acht jaar geleden kreeg op het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel, houdt dat universum hem nog steeds bezig. Jaarlijks publiceert hij zo’n vier wetenschappelijke artikelen over de zon en de invloed daarvan op het klimaat. Hij geeft geregeld publiekslezingen, zoals op de Sonnenborgh in Utrecht, zijn voormalige werk- en woonplek. “En je ziet het misschien niet aan me”, zegt hij met enige zelfspot, “maar ik ben in training.” Drie keer per week bereidt De Jager zich voor op de tienkilometerloop van Texel op 25 september.

Maar dat vertelt hij pas bij het afscheid.

Sterren en mensen. Daarover praat Kees de Jager in de tussentijd. De zon en verre sterren fascineren hem bijna zijn hele leven. De mensen onder die sterrenhemel lijkt hij met milde verbazing te bekijken.

Hij herinnert zich de vier weken lange boottocht naar Indonesië. “Die maakte een grandioze indruk op me. Voor het eerst zag ik mensen met een andere huidskleur en die een andere taal spraken.” Lacht. “Ze zeiden geen kiek, maar ook geen kijk.”

In Langowan, een dorpje tussen de sawa’s in het noorden van het huidige Sulawesi, maakte hij vriendjes en vriendinnetjes onder de lokale bevolking. “Er woonden daar maar drie Nederlanders. De onderwijzer, dat was mijn vader, de zendeling en de pastoor. Maar die laatste twee spraken niet met elkaar omdat ze van een vijandig geloof waren.”

Onderhandelen

Op dat verre eiland, dat anders dan Texel zo hoog oprees uit zee, wees zijn vader hem opnieuw op natuurverschijnselen. Op sterren bijvoorbeeld die roodachtig en blauwachtig aan de hemel straalden omdat ze, zoals het vlammetje van een kaars, heel erg warm waren (rood) of gloeiend heet (blauw).

En niet onbelangrijk: De Jager leerde er onderhandelen op zijn Indonesisch. “Nooit nee zeggen.” Hij wijst op een hagelwit muurtje bij de entree van het NIOZ. “Stel dat iemand zegt: kijk, die muur is goed zwart geschilderd.” Hij knikt even. “Dan zeg jij: ja, apart hé, een beetje lichtzwart. Ja, zegt die ander, een beetje lichtzwart, ja, En jij: eigenlijk behoorlijk lichtzwart. Dat gaat zo een tijdje door en dan ben je waar je wezen wilde.” Dan is de muur weer wit.

Later, tijdens internationale ruimtevaartvergaderingen, zou hij daar nog profijt van hebben. Maar diplomaat worden? “Nee, daaraan heb ik nooit gedacht. Nee, zeg. De sterren, die boeiden me. Mijn vrouw, die ik later op de HBS op Surabaja ontmoette, zegt het ook: altijd als ik je zag liep je met dat boek onder de arm.” Dat boek was De wonderen des hemels van astronoom en wetenschapspopularisator Camille Flammarion – over de sterren en het heelal, inderdaad.

Het inzicht in die hemel groeide in die tijd enorm. In de jaren twintig van de vorige eeuw bleek dat het heelal niet statisch was en eeuwigdurend. Het had een begin gehad, de Oerknal, en het dijde nog altijd uit. Er werden raadselachtige zwarte gaten voorspeld en gravitatielenzen. En met steeds krachtiger telescopen werden in de decennia daarna ook steeds exotischer sterren ontdekt: supernova’s, quasars, pulsars...

Achterstand

Tegelijkertijd was die sterrenkunde ouderwets, zegt De Jager. Toen hij in Utrecht studeerde en promoveerde, in de jaren veertig en vijftig, waren er geen computers, laat staan digitale camera’s. De astronomen op Sonnenborgh namen de helderheid van de sterren op met fotografische platen en noteerden alle gegevens met potlood op eindeloze vellen papier. “Dagen, weken, maanden heb ik zo zitten werken. Daarna kwam pas de vraag: wat betekenen die gegevens?”

Pas begin jaren zestig kregen de Utrechtse astronomen toegang tot een computer, ZEBRA, de Zeer Eenvoudige Binaire RekenAutomaat. Met kasten en buizen die een hele kamer vulden.

De Jager kon er “alleen maar een beetje” mee werken, zegt hij. Toch werd hij in 1961 naar voren geschoven als voorzitter van de computerwerkgroep van de pas opgerichte Europese organisatie voor ruimtevaartonderzoek (ESRO, nu ESA). “Het leuke was dat die commissie daarna op reis mocht om kennis te vergaren. We gingen naar NASA en je mond viel open. We hadden destijds zo’n achterstand ten opzichte van de Verenigde Staten.”

Dat is beslist niet meer zo, zegt De Jager. Zeker, de Amerikanen besteden veel meer geld aan de bemande ruimtevaart, een activiteit waar De Jager weinig heil in ziet. “Maar op het terrein van de onbemande ruimtevaart – de satellieten en sondes die de planeten, de maan, de zon en de sterren vanuit de ruimte bestuderen – kan Europa zich meten met de VS. En de Russen hebben we ingehaald.”

Die opkomst van de ruimtevaart, met zijn computers en moderne techniek, heeft De Jager helemaal meegemaakt. Hij vertelt over de enorme verbazing toen bleek dat de Sovjets in 1957 de eerste, nog onbemande, Spoetniksatelliet in een baan om de aarde hadden gebracht. Paniek ook. “Ik was toen in Duitsland. De kranten kopten: Ein roter Mond rasst um die Erde.”

Ironisch lachje. “Een paar maanden daarvoor had ik in al mijn wijsheid tijdens een lezing nog voorspeld dat het jaren zou duren eer er satellieten zouden zijn. En toen een krantenjournalist me zei dat de Spoetnik 80 kilo woog, zei ik ten onrechte dat er een tikfout moest staan. Volgens de enige berekeningen aan satellieten die ik kende, van de Amerikaanse meteoroloog Fred Singer, wogen satellieten veel minder: maximaal 8 kilo. Het tekent de verrassing.”

Maar: er was ook groot enthousiasme. En er was geld. “Het was meteen duidelijk dat dit betekenis had voor de astronomie. Tot dan toe had je alleen raketten, die maar twee minuten boven de dampkring reikten. Met zo’n kunstmaan kon je dagen- en wekenlang vanuit de ruimte metingen verrichten. En ja, toen werd in Nederland gezegd: wij moeten ook een satelliet hebben.”

De Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen riep een ruimtevaartcommissie in het leven en trok daarvoor jonge mensen aan. “Henk van de Hulst, die ik nog kende uit Utrecht, werd voorzitter en ik werd er ook ingetrokken. Toen was de vraag: Wat gaan we doen?”

De Jager stelde voor om röntgenstralen uit de zon te gaan meten en kreeg daar 80.000 gulden voor – “een immens bedrag voor die tijd.” Zo ontstond haast als vanzelf het Laboratorium voor RuimteOnderzoek in Utrecht (tegenwoordig Stichting RuimteOnderzoek Nederland SRON), met De Jager als de eerste directeur. En ook hier moest eerst vooral kennis vergaard worden. Anderen merkten het op en ze hadden gelijk, zegt hij: “We werden niet gehinderd door te veel ervaring.”

Hij lacht een beetje. Het was maar het begin. De ruimtevaart had het tij mee. Het lab en de Europese ruimtevaartorganisatie zouden enorm gaan groeien.

Zonnevlammen

Dat lab op poten zetten kostte tijd. De bestuursbanen kwamen er nog bij. Zo schoot het schrijven van wetenschappelijke publicaties er vaak bij in. Maar De Jager hield wél vast aan de vraag die hem al had gegrepen tijdens zijn eerste colleges in Utrecht bij de befaamde astronoom en zonnefysicus Marcel Minnaert: hoe werkt de zon?

En dus droeg de Europese TD1a-satelliet in 1972 Utrechtse instrumenten aan boord om ultraviolet- en röntgenstraling uit de zon vast te leggen. Ze lieten zien dat de minutenlange gloed van grote zonnevlammen in feite naijlen is: de echte uitbarstingen, zichtbaar met de röntgenstraling, duren maar vijf tot tien seconden.

Later bouwde het Utrechtse lab een röntgeninstrument om die zonne-uitbarstingen heel precies te lokaliseren. Het moest meereizen aan boord van de Solar Maximum Mission van NASA, maar de bouw ervan liep een voor de Amerikanen onaanvaardbaar grote vertraging op. “Ik werd naar NASA gestuurd om te vertellen dat het allemaal wel meeviel. En ik weet nog dat de voorzitter van de vergadering, Nancy Roman, me aankeek. Ik dacht: ze weet precies hoe het zit.”

Met drie maanden respijt en heel erg veel overuren lukte het om het project toch binnenboord te houden. En op 30 april 1980, de dag van de troonswisseling in Nederland, legde het instrument vanuit de ruimte zijn eerste grote zonnevlam vast. “Een spannende tijd”, zegt de Jager. Hij knikt even. “Leuk spannend, hé.”

En ja, er was ook nog ANS, de Astronomische Nederlandse Satelliet, die in 1974 de ruimte in werd geschoten. “Maar dat was een idee van bedrijven als Fokker en Philips. Die wilden ervaring opdoen met de ruimtevaart. Zij zagen daarin een nieuwe internationale markt. En tja, de industrie is machtiger dan de wetenschap. Wij mochten nog wat projecten bedenken voor aan boord.”

Oorlog

Op Texel denkt De Jager nog altijd na over de zon. De rustige zon is goed begrepen – net als andere rustige sterren en mede dankzij al die eindeloze tabellen uit de jaren veertig en vijftig. Maar de actieve zon waarop vlekken verschijnen en die zonnevlammen produceert, stelt astronomen nog steeds voor raadsels, zegt hij. Ondanks al die ruimtemissies.

Het klinkt relativerend. De Jager behoort niet tot de generatie wetenschappers die hun eigen werk ‘fantastisch’ en ‘baanbrekend’ noemen. In een jubileumtijdschrift ter ere van zijn negentigste verjaardag schrijven collega’s die ingetogenheid toe aan de vormende invloed van de oorlogsjaren op zijn generatie. En aan het besef dat er daarna juist zo véél mogelijk was.

De Jager reageert daar bedachtzaam op. “Het gekke is dat mijn gedachten het vaakst naar die oorlogsjaren terugkeren.” Hij hoorde dat de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken toen hij op de boot van Nederlands-Indië naar Nederland zat, om er wis- en natuurkunde te studeren. “Mijn ouders stuurden een telegram. Dat ik in Port Said onmiddellijk de boot naar Indië moest terugnemen. Maar ik dacht: ik ga door. Wat moet ik daar? Accountant worden, zei mijn vader. Nou, nooit van zijn leven.”

Een paar jaar later belandde hij met studievriend Hans Hubenet in een stoffig achteraf kamertje van Sterrenwacht Sonnenborgh. Ze zaten er van 1943 tot 1945. Ondergedoken omdat ze als student de loyaliteitsverklaring aan de Duitse bezetter niet hadden ondertekend. “Het was een fantastische plek. We hadden dictaten en we speelden pingpong met propjes papier. Maar ik weet ook nog dat Hans na een half jaar zei: ik kan je gezicht niet meer zien. Ik zei: ik het jouwe ook niet. Hij: ik ga in de kelder zitten. Ik: dan ben ik solidair en ga naar zolder. Om zes uur zagen we elkaar bij het koken, en na twee weken zei hij: nu gaat het wel weer. Toen verhuisden we allebei weer naar onze oude stek.”

Zonnedynamo

Het is rustig, op vrijdagochtend, in de hal van het NIOZ. Aan de lange tafel beantwoordt De Jager vragen met telkens nieuwe treffende, grappige of verbazende anekdotes. Ook over zijn leermeester Marcel Minnaert natuurlijk, een ‘enorm goede didacticus’ die hem inspireerde om sterrenkunde te gaan studeren – zelfs al waarschuwden De Jagers ouders hem dat daarmee geen droog brood te verdienen viel. “En toen moest ik ze ook nog vertellen dat Minnaert me, aanvankelijk, een baan als promovendus en student-assistent had aangeboden zonder salaris. Het gaat toch niet om het geld meneer De Jager, zei hij dan.”

“Minnaert was een vreemde man. Een radicale marxist, maar tegelijk heel gezagsgetrouw, en uiterst formeel. Ik was al hoogleraar, toen hij eindelijk voorstelde om elkaar te tutoyeren. Ik heet Marcel, zei hij. En ik heet Kees, zei ik. Maar dat wist hij natuurlijk al lang.”

Wat is zijn geheim? Hoe blijft De Jager zo geïnteresseerd en actief? “Het geluk van een goede gezondheid”, zegt hij.

Natuurlijk. En verder? De Jager geeft geen direct antwoord maar vertelt over een reusachtige ster die Nederlandse astronomen in de jaren zeventig in het sterrenbeeld Casseiopeia waarnamen. Een ster die veertig keer zo zwaar was als de zon. En die in terugkerende periodes van onrust intussen bijna de helft van zijn massa afschudde. “Hoe loopt het met die ster af?”

“Er zijn natuurlijk die hele grote vragen. De vragen die het boek van Flammarion ook opriep en waarover mensen zich al sinds de oudheid buigen: hoe is het heelal ontstaan? Waar komen we vandaan? Zijn er misschien heel veel heelallen?

“Maar er zijn ook al die andere kwesties die vragen oproepen en waaraan je onderzoek kan doen. Hoe werkt de dynamo van de zon bijvoorbeeld, die al die zonneactiviteit opwekt?” Kijkt even. “Ik hoop dat ik het werk daaraan nog heel veel jaren kan meemaken.”