Doe eens wat aan de kapitaalkrimpheffing

Zouden premier Rutte en minister De Jager van Financiën volgende week ook nog iets aardigs voor de burger in petto hebben? Te vrezen valt dat er alleen maar slecht nieuws is: dalende prognoses voor de economie, bij een rigide begrotingsbeleid. Toch zou een kleine tegemoetkoming voor de spaarder en de belegger niet alleen welkom zijn, maar ook gerechtvaardigd. Het gaat hier om de vermogensrendementsheffing. De heffing werd opgedroomd in 1998, als onderdeel van een belastingplan dat in 2001 onder oud-minister Zalm werd ingevoerd.

Het idee was uitstekend: de baaierd aan aparte belastingen op vermogen, rente en dividend vervangen door één heffing op het totale beleggingsrendement. Die heffing werd vastgesteld op 30 procent. Omdat beleggingsrendementen nogal fluctueren, werd uitgegaan van een vast, ‘fictief’ rendement van vier procent. Dertig procent van die 4 procent geeft 1,2 procent. Dat werd het vaste percentage voor de vermogensrendementsheffing.

Dat zag er destijds zeer vriendelijk uit. In de tien jaar vóór 2001 bedroeg het werkelijke rendement (de effectieve rente) op tienjarige staatsleningen gemiddeld 6,5 procent. Die vier procent fictief rendement stak daar bescheiden bij af. Beleggers mochten in hun handen knijpen dat de nieuwe vermogensrendementsheffing dus laag zou gaan uitpakken. Voor aandelen gold dat al helemaal. In de tien jaar voor 2001 bedroeg het jaarlijkse gemiddelde rendement op de Nederlandse aandelen, inclusief herbelegging van dividend, 21,1 procent.

Dat was toen iedereen dacht dat de aandelenkoers altijd zouden stijgen. De rest is geschiedenis: de beurzen stortten in na de internetzeepbel, 9/11, de inval in Irak en daarna door de kredietcrisis. De rente op staatsleningen zakte stelselmatig.

Dat fictieve rendement bleek ineens in plaats van veel te laag, juist veel te hoog ingeschat. In de tien jaar voor vandaag bedroeg het effectieve rendement op tienjaars staatsleningen gemiddeld 3,92 procent. Dat is voor het eerst minder dan het fictieve rendement. In de afgelopen vijf jaar was de gemiddelde rente nog lager: 3,7 procent. En staatsleningen doen op dit moment nog maar 2,33 procent.

Aandelen dan: in de afgelopen tien jaar sinds 2001 bedroeg het gemiddelde jaarlijkse rendement op Nederlandse aandelen 2,1 procent negatief. In de afgelopen vijf jaar was dat jaarlijks gemiddeld zelfs 3,2 procent negatief.

Een fictief rendement van 4 procent is sinds de invoering al een fabeltje. Beleggers zijn niet allemaal Grote Kapitalisten. Ook iemand die een bescheiden kapitaaltje heeft belegd maakt al jaren verlies, en wordt daarbovenop nog eens geconfronteerd met een heffing van 1,2 procent. Dat is fnuikend. Ga maar na: alleen al om de jaarlijkse heffing van 1,2 procent goed te maken, zou een belegger zijn geld al 14 jaar geleden, dus in 1997, in aandelen moeten hebben gestald.

De vraag is dus of dat fictieve rendement van 4 procent, en de vermogensheffing van 1,2 procent die daar uit resulteert, niet naar beneden moeten. Ze stammen echt uit een andere tijd. Maar dat zegt toch niets over de toekomst? Misschien gaat het straks allemaal wel weer beter op de beurzen. Vergeet het. Stel er breekt een Gouden Tijd aan, en aandelen brengen vanaf nu elk jaar structureel tien procent op. Zelfs dan duurt het tot 2024 voor een belegger uit 2001, het jaar van het belastingplan, kan terugkijken op een jaarlijks rendement van gemiddeld vier procent. Verlagen dus dat fictieve rendement. Omdat het kan. (En de auteur belegt uit principe niet.)

Maarten Schinkel