De strijd tussen de polderaars en de activisten binnen de FNV-bonden

Na bijna twee jaar hard onderhandelen stemt een verdeelde FNV maandag over het pensioenakkoord.

De uitwerking werd een gevecht tussen het gematigde en radicale deel binnen de FNV. Een reconstructie.

Eppo König en Jos Verlaan

De toekomst van het Nederlandse pensioenstelsel ligt maandag in handen van een groep verdeelde bestuurders. Negentien vakbondsvoorzitters, die gezamenlijk bijna 1,4 miljoen FNV-vakbondsleden vertegenwoordigen, beslissen over de oudedagsvoorziening van 14 miljoen werkenden en gepensioneerden. Na maanden van felle voor- en tegencampagnes stemmen ze maandag over het nieuwe pensioenakkoord. Tegen de achtergrond van een aanhoudende financiële crisis die vreet aan het vermogen van de pensioenfondsen.

De onenigheid binnen de FNV zet veel op het spel. Het alternatief lijkt slechter dan het omstreden akkoord dat FNV-voorzitter Agnes Jongerius begin juni sloot met de werkgevers en het kabinet. Het akkoord sneuvelt als de bonden er samen niet uitkomen en minister Henk Kamp (Sociale Zaken, VVD) vasthoudt aan een onvoorwaardelijk ‘ja’ of ‘nee’. Dan valt Kamp terug op zijn wetsvoorstel dat de pensioenleeftijd naar 66 jaar optrekt, miljarden op de AOW bezuinigt en de fiscale aftrek voor aanvullende pensioenen fors beperkt. Terwijl in het pensioenakkoord de AOW de komende jaren juist wordt verhoogd, werknemers met lage inkomens en zware beroepen op hun 65ste kunnen stoppen en de fiscale aftrek overeind blijft.

Waarom is er dan toch zoveel verzet tegen het akkoord?

Het antwoord op de vraag begint op 4 juni 2010. Op die vrijdag presenteerden de sociale partners trots een eerste principeakkoord, vijf dagen voor de Tweede Kamerverkiezingen. En daar had het bij moeten blijven, verzuchten betrokkenen achteraf. De vakbonden en de werkgevers hadden destijds tegen de minister moeten zeggen: ‘hier is het akkoord, zorgt u maar voor de uitwerking’. Dan was voorkomen dat de interne verdeeldheid van de FNV kon uitgroeien tot een serieuze bedreiging voor het pensioenakkoord.

Dat principeakkoord van juni vorig jaar was al een wonder op zich. In september 2009 leek het poldermodel zo goed als failliet. Toen klapte het overleg tussen werkgevers en bonden in de Sociaal Economische Raad (SER) over een nieuw AOW-stelsel en verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar. Het was een breuk op het hoogtepunt van de financiële crisis die naast banken ook pensioenfondsen vol had geraakt.

Jongerius noemde haar gesprekspartners van de werkgeversorganisaties, die het overleg eenzijdig hadden afgeblazen, destijds „tuig van de richel” en beschuldigde hen van sabotage en „onfatsoenlijk gedrag”. De kans dat de sociale partners nog met elkaar in overleg zouden gaan over de AOW en een nieuw pensioenstelsel, leek nihil. Toenmalig minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken, CDA) en de Tweede Kamer zouden het verder moeten regelen.

Maar in februari 2010 viel het vierde kabinet-Balkenende en daarmee het controversiële plan van Donner om de AOW-leeftijd met twee jaar te verhogen. Dat bood twee hoofdrolspelers uit het werkgevers- en werknemerskamp de gelegenheid om elkaar op te zoeken voor informeel overleg: directeur Cees Oudshoorn van werkgeversorganisatie VNO-NCW en Peter Gortzak, de rechterhand van Jongerius. Oudshoorn, de rationele econoom, Gortzak de bevlogen vakbondsman. Jongerius en VNO-voorzitter Bernard Wientjes bleven op de achtergrond.

De twee mannen besloten hun onderhandelingen nog voor de nieuwe verkiezingen af te ronden. Er moest dan een akkoord liggen om te voorkomen dat het pensioendossier een speelbal zou worden in de formatieonderhandelingen. Buiten het zicht van de SER of de Stichting van de Arbeid onderhandelden de twee mannen vanaf november over een haalbaar pensioenakkoord.

De inzet was duidelijk. De werkgevers wilden hun premies en bijstortingen in noodlijdende pensioenfondskassen beperken. Het ging om een alsmaar stijgende kostenpost van zo’n 20 procent van de arbeidskosten. En de werknemers wilden dat hun pensioenen niet werden bevroren, maar mee zouden stijgen met de inflatie. Hun pensioenen moesten geen gevaar lopen als de beurzen opnieuw zouden instorten.

Eerst moest de ruzie tussen Jongerius en Wientjes worden bijgelegd. Op 26 februari 2010 schudden de twee elkaar publiekelijk de hand tijdens een pensioensymposium in de sjieke Haagse Sociëteit De Witte. Ze beloofden opnieuw te onderhandelen. Op datzelfde moment was het overleg tussen Oudshoorn en Gortzak al vergevorderd. En zo konden Jongerius, Wientjes en Kamp het akkoord nauwelijks twee maanden later, op 4 juni, bekrachtigen.

De grootste tegenstanders van het pensioenakkoord binnen de FNV nu, Abvakabo en Bondgenoten, juichten Jongerius toen nog toe. Bondgenoten is goed vertegenwoordigd in de besturen van tal van pensioenfondsen. Een aantal van die fondsen stond na de financiële crisis voor de keus om te korten op de pensioenuitkeringen (afstempelen). Bondgenoten-voorzitter Henk van der Kolk wilde zowel de fondsen als de pensioenen overeind houden.

Van der Kolk steunde Jongerius om de AOW-leeftijd geleidelijk te verhogen. Hij moest een kaderledenopstand bezweren. Een motie van zijn eigen bondsbestuur, waarin het pensioenakkoord werd afgewezen, legde hij naast zich neer. En hij ging tekeer tegen de ouderenbond Anbo, de politiebond NPB en de journalistenbond NVJ die tegen het pensioenakkoord waren. Zo overleefde het akkoord de jaarwisseling.

Maar begin dit jaar bleek dat Van der Kolk het verzet in eigen kring had onderschat. Een deel van zijn achterban raakte onder invloed van SP-activisten die de vakbond wilden omvormen tot een actiebeweging. Binnen Bondgenoten en binnen de FNV-Federatieraad circuleerden pamfletten en conceptmoties die rechtstreeks afkomstig waren van het SP-kantoor in Rotterdam, schampert een betrokkene achteraf. Ook Van der Kolk zelf zag het meer als de taak van een orgaan als de FNV om actie te voeren dan om compromissen te zoeken.

In maart escaleerde de boel. Bestuurders van Bondgenoten en Abvakabo zochten de publiciteit om het onderhandelingsresultaat te kraken. De boodschap was: bestaande pensioenrechten worden verkwanseld, met 65 jaar stoppen levert onacceptabel inkomensverlies op, werknemers dragen eenzijdig de risico’s voor klappen op de beurs en werkgevers worden vrijgesteld van het bijstorten in pensioenfondsen.

Vanaf dat moment was Van der Kolk de regie kwijt, zegt een betrokkene in de federatie. Intern, maar ook in de federatie. Het debat ging niet meer over een nieuw pensioenstelsel, maar over de positie van Bondgenoten binnen de FNV. Het algemene beeld was dat van een paleisrevolutie: Van der Kolk probeerde Jongerius van de troon te storen.

Binnen de FNV hield Jongerius echter voet bij stuk. Zij vroeg én kreeg toestemming van achttien bondsvoorzitters om op 9 juni het uitwerkingsakkoord van bonden, werkgevers en minister Kamp te ondertekenen. Alleen Bondgenoten was tegen en beschouwde die handtekening als een oorlogsverklaring.

Van der Kolk kondigde vrijwel direct een ledenreferendum aan, met een negatief stemadvies van het bondsbestuur. Het pensioenakkoord werd omgedoopt tot een onzeker ‘casinopensioen’: het symbool van de tegencampagne van Bondgenoten. Ook bij Abvakabo groeide vanaf dat moment intern het verzet. Voorzitter Edith Snoey legde haar voorzitterschap neer nadat haar eigen bondsbestuur haar duidelijk maakte dat ze Jongerius nooit had mogen steunen voor het akkoord.

Zo sukkelde de FNV verdeeld en vooral zonder besluitvorming de zomer in. Van der Kolk beleefde zijn finest hour toen hij in augustus de uitslag bekend kon maken van zijn ledenreferendum. De term ‘casinopensioen’ was blijven hangen bij zijn achterban. Zo’n 100.000 leden hadden tegen het pensioenakkoord gestemd. Voor Van der Kolk een duidelijk signaal aan minister Kamp, Wientjes en Jongerius dat het akkoord van tafel moest en er opnieuw onderhandeld moest worden.

Hoe de stemming op maandag zal uitpakken, blijft onzeker. Zowel Bondgenoten als Abvakabo hebben vrijdag aangekondigd ‘nee’ tegen het akkoord te zeggen. Samen hebben de twee grootste bonden weliswaar meer dan de helft van de 1,4 miljoen FNV-leden, maar door een gewogen stemverhouding vertegenwoordigen ze niet meer dan 44 procent van de stemmen.

Voor een meerderheid zijn de twee grootste bonden aangewezen op FNV Bouw (10,2 procent van de stemmen) dat steeds heeft bemiddeld tussen de strijdende fracties. Maar Bouw spreekt van een ‘nee, tenzij’ en houdt zo de onderhandelingen open. Ingewijden spreken van een strategie. Bondgenoten en Abvakabo voeren samen de druk op minister Kamp op, terwijl Bouw hem de ruimte geeft om met een gunstigere regeling te komen voor werknemers die op hun 65ste willen stoppen.

Kamp heeft vaker gezegd dat hij maandag een helder ‘ja’ of ‘nee’ wil horen en anders teruggrijpt op zijn eigen, kale wetsvoorstel. Het risico dat de bonden nemen, is dat het geduld van Kamp op is. De minister liet vrijdag weten niet opnieuw te willen onderhandelen. Zo gokken ook de critici van het akkoord met het casinopensioen.