Voor de liefhebber

Literatuurwetenschapper Lisa Appignanesi vertelt met fenomenale kennis over de liefde – van de wieg tot het graf, van de vonk tot het huwelijk. Maar veronachtzaamt ze niet de duistere kanten van deze ‘unruly emotion’?

Lisa Appignanesi: All about Love. Anatomy of an Unruly Emotion. Norton, 401 blz. € 25,99. De vertaling, Alles over de liefde, van Pon Ruiter, verschijnt komende week bij De Bezige Bij.

Liefde, is dat een illusie of iets wat echt bestaat? Is het een constructie van het kille brein of de eruptie van een warm en kloppend hart?

Het laatste, meent Lisa Appignanesi. Haar omvangrijke studie All About Love gaf zij de ondertitel Anatomy of an Unruly Emotion mee, of, in de Nederlandse vertaling die komende week verschijnt, ‘anatomie van een onbeheersbare emotie’. Visioenen van woeste heksen en geile saters doemen op: onberekenbare, redeloze wezens die door hartstochten en hormonen worden voortgedreven, de verkeerde kant op.

Maar kunnen we onze hersenen wel uitschakelen bij de zoektocht naar de ware Jacob of de perfecte slet? Vallen we dan niet bij voorkeur op mensen die ons iets te bieden hebben – gehoorzaamheid, gezondheid of een zak vol geld? Liefde is een keuze, liefde dient een doel. Welke keuzes zijn toegestaan, dat bepalen de cultuur en de tijd waarin wij leven.

De ontwerper van de blauwdruk voor de ideale liefde is het collectief. Toch richt Appignanesi zich op het individu, alsof liefde een strikt persoonlijke zaak is. Ze vertelt, in de ik- vorm, over de raadselen waarvoor de liefde haar stelde toen ze een meisje was. De toon is gezet, een intieme, warme toon – niet die van een geleerde, maar van een kwetsbaar mens.

Van arrogantie kun je deze wetenschappelijk geschoolde schrijfster niet betichten. Haar fenomenale kennis, gevoed door filosofie, psychologie en letterkunde, bouwt zij behoedzaam uit. En in die voorzichtigheid zit een probleem. Zelden beweert Appignanesi iets stelligs. Met woorden als ‘misschien’, ‘soms’ en ‘het zou best kunnen dat…’ houdt zij een slag om de arm.

Maar een beter middel om de lezer te raken is de provocatie. ‘Vastgeroeste ideeën’, schreef de agressieve feministe Germaine Greer, ‘zijn niet gemakkelijk los te krijgen; daar heb je zwavelzuur voor nodig. Ze zijn verschrompeld en korstig en je moet ze losbranden of -stomen zodat er weer nieuwe vormen uit kunnen ontkiemen.’

De Tweede Feministische Golf, waaraan Greer met het schotschrift De vrouw als eunuch (1970) haar steentje bijdroeg, kan Appignanesi (1946) niet zijn ontgaan. Toen die golf haar hoogste punt bereikte was zij een jonge vrouw. En voor veel jonge vrouwen in de jaren zeventig zetten de denkbeelden van iets oudere vrouwen alles op z’n kop. Lisa, dochter van Pools-Frans-Canadese joden, woonde toen in Londen. Maar of je nou daar volwassen werd of in Amsterdam, overal sloegen de slogans in als bommen: ‘het persoonlijke is politiek,’ ‘baas in eigen buik’, ‘blijf van m’n lijf’ en ‘hé zus, ze houden ons eronder’, of zelfs ‘je gaat toch niet met je onderdrukker naar bed?’

Onderbouwd werden die losse flodders met messcherpe analyses. Simone de Beauvoir was ermee begonnen, in 1949. ‘Men wordt niet als vrouw geboren, men wordt tot vrouw gemaakt’, schreef zij in Le Deuxième Sexe. ‘De man kan zich zonder de vrouw denken, zij kan zichzelf niet zonder de man denken. De vrouw is niets anders dan wat de man bepaalt.’ Zodra het meisje begint te menstrueren wordt zij ingelijfd bij de minderwaardige groep. Was eerst de clitoris haar erotische centrum, nu mag ze alleen nog maar belangstelling hebben voor haar vagina. Die krijgt pas betekenis door tussenkomst van de man en zo heeft seks, aldus De Beauvoir, altijd iets van een verkrachting.

De Oostenrijkse Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek ging en gaat nog verder. Het huwelijk, stelt zij, is prostitutie. Net als een hoer biedt een getrouwde vrouw haar seksuele diensten aan in ruil voor geld en dubieuze bescherming. Lees de roman Lust, kijk naar het toneelstuk Über Tiere (pas nog gespeeld door het Nationale Toneel) en je raakt ervan overtuigd dat ‘liefde’ een eufemisme is voor vernedering en pijn.

Goed, er is veel veranderd. Vrouwen doen mee aan het openbare leven, ze verdienen zelf geld en ze dwingen hun mannen tot nederige taken zoals zorg, af en toe, voor huishouden en kroost. Maar hoe staat het met de seksuele bevrijding? De vrouwenhandel bloeit. De porno-industrie draait op volle toeren. De blijf-van-m’n- lijf-huizen zitten nog steeds vol. Vrouwen zijn nog niet gelijkwaardig aan mannen. En zolang dat zo is, blijft liefde gekoppeld aan geweld.

Maar Lisa Appignanesi wil het niet over geweld hebben, net zomin als zij ‘excessen’ in haar boek opneemt. Over al die extremen, vindt zij, is al genoeg geschreven, ook door Lisa zelf. Het is waar, Appignanesi schreef Mad, Bad and Sad (Gek, slecht en verdrietig, besproken in Boeken 16-05-08), over vrouwen en psychiatrie, vol met waar gebeurde verhalen over types die ooit ‘hysterica’ heetten. En toch: als je in een boek over liefde die zogenaamde excessen uitsluit, dan krijg je een vertekend beeld. Dan stel je de zaken te rooskleurig voor. En dat doet Lisa Appignanesi.

Ze heeft het over tederheid en extase, over eenwording en inspiratie, over bedwelmende ervaringen en ontmoetingen met tweelingzielen. Toegegeven: dat staat alleen in het hoofdstuk ‘Eerste liefde, jonge liefde’. Appignanesi volgt de liefde van de wieg tot het graf, nou ja, van de puberteit tot op rijpe leeftijd. ‘Liefde en huwelijk’, ‘liefde als driehoek’, ‘liefde binnen het gezin’ en ‘liefde en vriendschap’ zijn, volgens haar, de stadia die na ‘Eerste liefde’ komen, en zo heten de hoofdstukken ook.

Soms plaatst ze een kritische kanttekening. Bijvoorbeeld dat liefde een nieuwe religie is geworden, waardoor we er te veel van verwachten. Maar door een staat van duizelingwekkende gelukzaligheid aan verliefde stellen te beloven doet ze zelf aan die overspannen verwachtingen mee.

Zinniger zijn dan haar gedachten over de erotiek van onze kindertijd – maar strikt genomen zijn dat niet haar eigen gedachten, maar die van psychoanalytische denkers als Melanie Klein, Helene Deutsch en good old Sigmund Freud. Akelige dingen heeft Freud over meisjes beweerd. Jelinek steekt er de draak mee in een van haar vroege stukken Ibsens pre-feministische heldin Nora heeft ‘het poppenhuis’ verlaten en gaat, om zichzelf te vinden, in een fabriek werken. Daar verbaast ze de arbeidsters met pedante boekenwijsheden. Jelinek haalde ze bijna rechtstreeks uit Freuds beruchte essay Über die weibliche Sexualität (1931). Ze laat Nora dit zeggen: ‘Het meisje ontdekt de opvallende, zichtbare en grote penis van een broer of vriendje, erkent hem meteen als superieur tegendeel van haar eigen kleine en verborgen geslachtsorgaan en is vanaf dat moment overgeleverd aan de penisnijd, waardoor ze niets cultureels meer kan scheppen.’

Boosaardige humor, want al citerend en monterend schept Elfriede Jelinek nieuwe kunst. Maar waar het om gaat is het idee dat ook bij Beauvoir opduikt, Freuds idee van de vrouw als defecte man. Lisa Appignanesi haakt liever in bij Freuds acceptabeler reflecties over de seksualiteit van jongens. En, ja, het klopt dat de baby met zijn moeder een symbiotische relatie heeft, dat hij de vader als een rivaal beschouwt, dat hij later naar net zo’n symbiose als die met de moeder op zoek gaat en naar het verloren geluk van toen. Freud en Appignanesi vergeten dat dit alles ook voor meisjes opgaat. Alleen loopt het met meisjes slechter af. Slechts weinigen van hen vinden het verloren geluk in de gedaante van een moederlijke vrouw.

Spannend wordt All About Love pas in het hoofdstuk over overspel. ‘Het lijkt wel’, schrijft Appignanesi over Anna Karenina en Madame Bovary, ‘alsof beide romans meteen al willen aangeven dat overspelige hartstocht al in de kern van een huwelijk zit.’ Hè, hè, even geen roze wolk maar realisme. Zelfs een huwelijk met een brave, zijn neiging tot onderdrukking heroïsch onderdrukkende man gaat op den duur knellen. Appignanesi geeft dit toe, maar ditmaal komt ze niet met verhalen uit haar eigen leven. De intimiteit die zij bepleit gaat de schaamte niet voorbij.

Liever verschuilt Appignanesi zich achter Emma Bovary en Anna Karenina. Het beklemmendste, als je haar analyses mag geloven: het overspel gaat al gauw op een huwelijk lijken. De overspeligen claimen elkaar, ergeren zich aan elkaar, proberen het goed te maken maar verliezen elkaar zonder ooit van elkaar af te komen, behalve in de dood. Elkaar raken ze tijdens hun leven op aarde niet kwijt, al het andere wel. Officier Graaf Vronski, Anna Karenina’s charmante minnaar, verliest zijn werk, zijn geld, zijn aanzien. Anna verliest haar zelfrespect en haar geliefde zoon. Was het dat allemaal waard, vraagt de lezer van Alles over de liefde zich vertwijfeld af.

Eindelijk valt de ondertitel op zijn plaats. De unruly emotion is in het geval van Anna en Vronski een onwettige liefde die tot chaos leidt. Hoewel hun relatie dezelfde wetten kent als een legale verbintenis, hebben zij de regels overtreden. Emma Bovary en haar twee minnaars doen dat ook. Als meisje verslindt Emma liefdesromannetjes. Zij geven haar het idee dat geluk, passie en avontuur ook voor haar zijn weggelegd. Aan haar saaie man Charles Bovary gaat zij zich steeds meer ergeren. Samen met haar minnaars geeft Emma zich aan haar hang naar luxe over. Dat kan niet lang goed gaan.

Jammer dat Lisa Appignanesi het voor de hand liggende verband niet zelf legt: de liefdesromannetjes hebben Madame Bovary bedorven. Natuurlijk, haar verachting voor de bekrompenheid van het milieu van haar man begrijp je wel. Maar ze had beter voorgelicht moeten worden. Romantiek, à la die romannetjes, à la Appignanesi, helpt een mens niet verder. Een grimmiger kijk op het verschijnsel liefde, à la Jelinek, maakt gelukkiger, tenslotte.