Van mythes, meningen en moslims

De herdenking van 9/11 leidt tot een stroom boeken die de aanslagen op de Twin Towers van alle kanten belichten. Van Framing Muslims, over stereotypering in de media, tot het verfrissende WTF?! waarin twintigers en dertigers zich onverbloemd uitlaten over de nasleep van 9/11.

FILE - In this May 2, 2011 file photo taken by a local resident, the wreckage of a helicopter next to the wall of the compound where according to officials, Osama bin Laden was shot and killed in a firefight with U.S. forces in Abbottabad, Pakistan. The U.S. suspects that Pakistan retaliated for the humiliating American raid that killed Osama bin Laden by letting the Chinese military see secret American technology used in the mission. (AP Photo/Mohammad Zubair, File)
FILE - In this May 2, 2011 file photo taken by a local resident, the wreckage of a helicopter next to the wall of the compound where according to officials, Osama bin Laden was shot and killed in a firefight with U.S. forces in Abbottabad, Pakistan. The U.S. suspects that Pakistan retaliated for the humiliating American raid that killed Osama bin Laden by letting the Chinese military see secret American technology used in the mission. (AP Photo/Mohammad Zubair, File) AP

Peter Morey en Amina Yaqin: Framing Muslims. Stereotyping and Representation After 9/11. Harvard University Press, 246 blz. € 25,99

Paul Berman: The Flight of the Intellectuals. Melville House, 299 blz. € 23,99

En natuurlijk is de linkerpagina – volgens hardnekkig journalistenbijgeloof altijd minder goed gelezen dan de rechter – weer voor de moslims. Altijd de tweede viool, altijd achtergesteld.

Zo’n tikje vermoeiende klacht kun je verwachten van de academici Peter Morey en Amina Yaqin, die een gedetailleerde studie schreven over stereotiepen van moslims in de westerse media. In Framing Muslims gaan ze uitgebreid in op clichébeelden van moslims die volgens hen de media beheersen sinds 11 september 2001: de irrationele moslim, de heetgebakerde moslim, de onbetrouwbare moslim en de wraakzuchtige moslim. Denk in Nederland aan de excentrieke, bebaarde fundamentalisten die graag voor de tv-camera worden gehaald.

Sinds die fatale datum is het debat over de islam ingekaderd in een raamwerk, een frame, van barbarij versus beschaving en redelijkheid versus rancune of irrationalisme. De Engelse academici Morey en Yaquin maken duidelijk hoe diep zulke beelden inmiddels zijn ingedaald in de Europese populaire media en journalistiek. Niet alleen het complexe karakter van de Europese en islamitische cultuur wordt daarmee miskend, maar vooral dat van de huidige multiculturele samenlevingen. Ook de meeste moslims hier leven in verschillende werelden en culturen, en passen niet in een stereotype.

Bovenbouw

Het is daarom lovenswaardig dat de auteurs proberen die framing te bestrijden. Maar hun boek loopt helaas hopeloos vast. Het lijdt constant en hevig aan academisch jargon, dat haaks staat op de maatschappelijke urgentie ervan. Bovendien gaat Framing Muslims jammerlijk voorbij aan de relatie tussen beeldvorming en empirische werkelijkheid, of, om het eens marxistisch te zeggen, tussen basis en bovenbouw. In hun boek is niets te vinden over de harde realiteit van het terrorisme en de Europese islam. Beeldvorming, hoe verwerpelijk ook, moet toch wel ergens inhaken op de werkelijkheid? Op die vraag zoeken ze geen antwoord en daardoor blijft hun boek een academische en tamelijk steriele exercitie.

Het verschil kan nauwelijks groter zijn met het polemische The Flight of the Intellectuals van Paul Berman, dat recentelijk inzet was van een woordenstrijd in het tijdschrift Foreign Affairs. Berman, een linkse publicist die onder meer de invasie van Irak in 2003 verdedigde, zet zich af tegen intellectuelen die blind zijn voor de gevaren van de radicale islam. Hij keert zich met name tegen de warme ontvangst die de neoreligieuze ideoloog Tariq Ramadan volgens hem onder intellectuelen in Europa en de VS kreeg.

Berman vertrouwt Ramadan voor geen cent, dat is duidelijk. Als historische aanloop – en om de apocalyptische toon te zetten – behandelt hij de nazistische bronnen van het moderne islamitische antisemitisme, waarbij hij zwaar leunt op Jeffrey Herfs indrukwekkende onderzoek in Nazi Propaganda for the Arab World (2009).

Bermans boek overtuigt het meest in die historische reconstructie. Centraal daarin staat de beruchte Groot-Mufti van Jeruzalem, Haj Amin al-Husseini, een Palestijnse nationalist en virulente antisemiet die nauwe banden onderhield met Hitler. De Mufti steunde de Duitse ‘strijd tegen de Joden’ en richtte een moslimbrigade op die meevocht op de Balkan. Jarenlange Duitse propaganda hamerde er bij de Arabische bevolkingen, vooral via dagelijkse radio-uitzendingen, de boodschap in dat de Joden een gevaar waren voor de islam en het brein waren achter het Britse en Franse kolonialisme. Berman en Herf zijn ervan overtuigd dat de genocide op de Joden, aangemoedigd door de Groot-Mufti, zou zijn uitgebreid naar het Midden-Oosten, als de Duitsers de strijd daar in hun voordeel hadden beslecht.

Maar daarna volgt een lang staaltje guilt by association: de Mufti werd bewonderd door Hassan al-Banna, oprichter van de Egyptische Moslimbroederschap, en die was op zijn beurt grootvader van, inderdaad: Tariq Ramadan. Maar wat betekent dat? Berman krijgt niet echt een vinger achter de (vaak nogal vage) geschriften van Ramadan. Hij hekelt Ramadans stilzwijgen over Palestijnse zelfmoordacties en zijn (al vaak belachelijk gemaakte) idee van een ‘moratorium’ op het stenigen van vrouwen. Berman concludeert dat Ramadan een conservatieve prediker is die niet zozeer de islam wil moderniseren alswel de moderniteit wil islamiseren. Maar dat is al veel vaker betoogd. En ondanks alle moeite, wil het van een ontmaskering van Ramadan, als antisemiet of religieuze cryptofascist, maar niet komen.

Bermans boek heeft ook hinderlijke lacunes. Onbegrijpelijk genoeg besteedt hij bijvoorbeeld geen aandacht aan het echec van Ramadan in Rotterdam, waar hij onder zware publicitaire druk werd ontslagen door gemeente en universiteit wegens zijn optredens in een Iraans televisieprogramma. Zulke nederlagen voor Ramadan passen natuurlijk ook niet in Bermans eenzijdige diagnose van een Europese intelligentsia die zich slaafs aan de voeten van de islamisten werpt.

Die eenzijdigheid bederft ook het einde van zijn boek, een snerende aanklacht tegen de kritiek van intellectuelen op Ayaan Hirsi Ali. Vooral Ian Buruma moet het ontgelden; Berman stort zich in een lange afrekening met deze Nederlands-Amerikaanse journalist. Maar hij blijkt minder goed op de hoogte van de feiten dan Buruma. Zo onderschrijft Berman klakkeloos de mythe dat Hirsi Ali een dappere eenling was die door iedereen in de steek werd gelaten. Dapper was ze, zonder enige twijfel. Maar Berman wijdt geen woord aan de brede steun die zij jarenlang kreeg van intellectuelen, journalisten, schrijvers en politici. Niet voor niets liep de hele Tweede Kamer, Femke Halsema voorop, te hoop tegen het voornemen van Verdonk om Hirsi Ali het Nederlanderschap te ontnemen – wat ook niet gebeurde.

De sociologe Yolanda van Tilborgh concludeerde in haar – nog altijd lezenswaardige – studie Wij zijn Nederland. Moslima’s over Ayaan Hirsi Ali (2006) dat de positie van Hirsi Ali in de media destijds ‘zeer sterk’ was en dat haar medestanders beduidend effectiever optraden dan haar critici. Maar wie Berman leest, krijgt het idee dat ‘de zwarte Voltaire’ moederziel alleen tegen de islam moest knokken in Nederland.

Beeldvorming blijft een kwestie van partij kiezen, kennelijk.