Schrijven, zwijgen, dreigen

Alberto Manguel: Alle mensen liegen. Vert. door Jos den Bekker. De Geus, 189 blz. € 17,90

Op een van de laatste bladzijden van Alle mensen liegen spreekt een van de vertellers over zijn fascinatie voor ‘een soort legpuzzel die Tangram heet’. Het gaat daarbij om de kunst ‘een getekende vorm’ te bedekken met ‘meetkundige figuren van zwart bakeliet’, iets waarin de verteller maar zelden slaagt. ‘Bijna altijd ontbrak er een stuk of bleef er een over’.

De lezer van de onlangs vertaalde roman van Argentijns-Canadese, in Frankrijk wonende bibliofiel Alberto Manguel ziet zichzelf ook gesteld voor de opdracht een dergelijke puzzel te leggen, en wie ervaren is in tangram zal er ongetwijfeld baat bij hebben. De figuur die uit de stukjes bakeliet naar voren moet komen is de (fictieve) Latijns-Amerikaanse schrijver Alejandro Bevilacqua, een uit Argentinië gevluchte balling, die in het midden van de jaren zeventig onder verdachte omstandigheden van een balkon viel in Madrid.

Vijf verschillende vertellers laat Manguel aan het woord: vier personen die Bevilacqua hebben gekend en de journalist die zich tot doel heeft gesteld het raadsel van zijn dood op te lossen. Vijf bakelieten stukjes die, door de geconcentreerde lezer aan elkaar gelegd, een mogelijk antwoord geven op het hoe en waarom van zijn overlijden.

De eerste die door de journalist wordt ondervraagd over het levensverhaal van Bevilacqua is een zekere Manguel, die hem ontmoette ‘toen hij nog niet dik was en (zijn) baard nog niet grijs’. Bevilacqua, maker van fotoromans, werd na zijn aankomst in Madrid in 1976 opgenomen in de kunstenaarskring van ‘de vluchtelingen, de berooiden, de verminkten, de verlorenen en de geredden’, afkomstig uit de dictaturen van Zuid-Amerika. Aan Manguel vertelde deze Bevilacqua in geuren en kleuren zijn levensverhaal, een verhaal van armoede, poppenspelers en de allesoverheersende passie voor een vrouw.

De verteller Manguel denkt na over wat hij zich herinnert en constateert dat die herinneringen ‘zijn verontreinigd door de literatuur’, samengesmolten met fragmenten gelezen bij Albert Camus en Boris Vian. Hij beseft dat hij macht heeft over de nagedachtenis van Bevilacqua: ‘zijn geschiedenis is nu van mij, ik ben degene die zin geeft aan zijn omzwervingen’. En dat doet Manguel op een zoekende, associërende wijze, vol zijpaden en vraagtekens. Hij schetst het milieu van de ballingen in Madrid: ‘geen enkel gezicht was het ware, allemaal veinsden ze iets, iedereen loog uit gewoonte’. Iedereen draagt de sporen van onderdrukking en marteling met zich mee. Zoveel geschiedenissen ‘opgeborgen in het archief van de stilte, zoals ze in mijn land de kroniek van de schande noemen’.

Het volgende puzzelstukje wordt geleverd door een vrouw met wie Bevilacqua in Madrid samenwoonde. Volgens haar ‘kletst Alberto Manguel – geestig genoeg – uit zijn nek’, is die Manguel typisch iemand die er maar op los fantaseert en bovendien was het ‘een flikflooier’, een ‘plakker’, die ook op haarzelf een oogje had gehad.

Ook zij heeft plannen met zijn nagedachtenis, voor haar was het iemand ‘die een betoverende stem’ had, een ‘meeslepende pen’. Had zij niet in zijn koffer dat onuitgegeven meesterwerk gevonden dat zijn roem zou vestigen? ‘Schrijven is een vorm van zwijgen, van dreigen met wat niet hardop wordt gezegd’.

Aan het weefsel van leugen en verdichting wordt nog een laag toegevoegd door de volgende ik-persoon, een dwerg die samen met Bevilacqua in de Argentijnse gevangenis heeft gezeten en en passant ook zijn eigen aangrijpende verhaal vertelt.

Zo levert Manguel (de niet-fictieve) met iedere verteller weer een nieuw gezichtspunt voor de invulling van de hogeschooltangram die uiteindelijk alleen de heel oplettende lezer, bij herlezing van het boek, kan leggen. Het lot van al zijn personages wordt door leugens, bedrog en verkeerde aannames bepaald.

Tegelijkertijd is het boek een reflectie op het schrijverschap. Wie schrijft, waarom, hoe komt die bezetenheid tot stand? Wat gebeurt er als iemand ten onrechte voor een schrijver wordt aangezien? Is niet alle literatuur pure leugen? In wat voor toestand kun je nog schrijven? ‘Niemand die totaal verliefd is’ schrijft nog, beweert de een, ‘wij schrijvers zijn inherent ontrouw’. ‘Iedere kunstenaar weet dat onvolmaaktheid zijn deel is’, schrijft een ander. Wie ooit woorden op papier heeft gezet, gaat er altijd mee door, de woorden zijn ‘als een mierenleger dat niet te stuiten is, ze bijten, rukken op, verwoesten’.

Boekstaven is aan de kaak stellen, dat lijkt de gemene deler. Alle vertellers zijn Zuid-Amerikaanse bannelingen, verdreven door dictaturen, vermorzeld en vervormd. Gedwongen in een harnas dat hun met geweld is aangemeten. Leven in het heden is voor hen leven in de hel. Voelen, horen, zien – voor wie is of heeft gemarteld zijn alle zintuiglijke ervaringen van betekenis veranderd.

En zo raakt de waarheid definitief op drift. Ook degene die de waarheid wil vertellen, de journalist in dit boek, realiseert zich dat zijn versie slechts een benadering kan zijn. Ergens in de combinatie van de verhalen houdt zich de waarheid op – en dan nog kan die best gelogen zijn.