Schilderijen moeten hangen

Omdat het in geldnood verkeert besloot MuseumgoudA afscheid te nemen van het schilderij The Schoolboys (1987). Vreemd is dat niet. Het doek van Marlene Dumas is een goed werk, maar het past slecht in de collectie van het museum. Dat legt zich, naast religieuze kunst en aardewerk , toe op schilderkunst uit de 19de- en vroege 20ste-eeuw.

De verkoop komt het MuseumgoudA nu te staan op dreiging met royement door de Museumvereniging. Die neemt het hoog op dat het doek voor 1.230.734 euro is verkocht aan een particulier, zonder dat de andere Nederlandse musea de kans kregen om het te verwerven tegen de, lagere, richtprijs van het veilinghuis. Dit volgens een afspraak van de musea, om het behoud te waarborgen van belangrijk, geliefd, historisch interessant of anderszins met Nederland verbonden werk. Verkoopt een museum een stuk uit zijn collectie zonder dat principe in acht te nemen, dan raakt het uit het zicht van het publiek. De prijzen op de vrije markt leiden immers vaak naar ontoegankelijke privéverzamelingen.

In 2006, toen MuseumgoudA nog het Museumgouda heette, maakte het een omgekeerd akkefietje mee. Het Centraal Museum (CM) in Utrecht stootte houtsneden, etsen, gravures, linoleumsneden, tekeningen en litho’s af, die de Goudse collectie mooi zouden aanvullen. Ondanks de richtlijn van de Museumvereniging viste Museumgouda achter het net. Het CM berekende ‘administratiekosten’ per blad. En die lagen aanzienlijk hoger dan de richtprijzen van het veilinghuis. Ook al maakte het CM hard te handelen in overeenstemming met de Leidraad voor het afstoten van de Nederlandse Museumvereniging, het leek niettemin te kiezen voor een sluiproute naar meer gewin – vergelijkbaar met de ramkoers, nu, van MuseumgoudA zelf met de verkoop van The Schoolboys.

Die vorm van oorlogspad wordt geëffend als kunstwerken in een museumcollectie van status veranderen. Wat eerst met gevoel voor kwaliteit werd verzameld, blijkt plotseling een object van grote waarde te zijn en daarmee een uitweg uit een financieel probleem.

Maar dat een museaal kunstwerk zo te gelde gemaakt kan worden, betekent nog niet dat het handelswaar is. Een museum ís zijn collectie, niet de bank van lening voor een gemeentebestuur en ook niet een proeve van behendigheid voor de directie.

Komt een museum, om welke reden dan ook, zo in geldnood dat het zich niet kan permitteren te ijveren voor een goed tehuis voor een af te stoten kunstwerk, dan is de vraag waar het museum goed voor is.

Het dupeert de andere musea. Het reduceert de museumbezoekers tot verliezers. En het diskwalificeert zichzelf.