Niemand controleert de psycholoog

Hoogleraar Diederik Stapel fingeerde zijn onderzoeksgegevens. Hoe kan zoiets? De werkwijze van psychologen „is bijna een uitnodiging om te frauderen”.

An experiment recording bioelectrical brain signals.
An experiment recording bioelectrical brain signals. RIA Novosti

Bij elke faculteit sociale wetenschappen hangen ze op het prikbord: de briefjes met oproepen aan studenten. Gezocht: deelnemers voor psychologisch onderzoek. Wat nu als niet genoeg studenten tijd hebben om mee te doen aan de proef? Hoe groot is dan de verleiding voor een onderzoeker om zelf formulieren in te vullen, zoals de Tilburgse hoogleraar Diederik Stapel, die woensdag op non-actief werd gezet, lijkt te hebben gedaan?

Maarten Derksen, universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen, onderzoekt de grondslagen, theorie en geschiedenis van de psychologie. Hij zegt: „Dat kunnen we niet weten. Het wordt in ieder geval zeer zelden ontdekt.”

Een probleem met het vakgebied psychologie, vindt Derksen, is dat er relatief weinig onderzoek wordt gereproduceerd. Het komt zelden voor dat proeven door andere wetenschappers nog eens identiek worden overgedaan. „Dat levert geen publicaties op. Wat onderzoekers wel graag doen, is via een andere proef hetzelfde resultaat bereiken. Maar dezelfde test nog een keer uitvoeren, zoals in de exacte wetenschappen gebeurt, komt weinig voor. Daar moeten we het de komende tijd binnen het vakgebied met elkaar over hebben.”

Een cultuuromslag onder psychologen is inderdaad hard nodig, vindt directeur Peter Doorn van Data Archiving and Networked Services (DANS). DANS verzamelt onderzoeksgegevens van wetenschappers en maakt die digitaal beschikbaar. „Psychologen hebben helemaal geen cultuur van het delen van data. Onderzoekers houden hun gegevens voor zich”, zegt Doorn. „Dat is bijna een uitnodiging om te frauderen. De affaire met Stapel is ongetwijfeld een wake-upcall voor psychologen.”

Andere vakgebieden zijn volgens Doorn veel verder met het delen van onderzoeksgegevens. „De sociologen zijn er al in de jaren zestig mee begonnen, de historici in de jaren tachtig.” Pogingen om de psychologen ook zover te krijgen, liepen eerder op niets uit, zegt Doorn: „We organiseren regelmatig congressen met mensen uit een bepaald vakgebied om te praten over het delen van data. We hebben het ook geprobeerd met het vakgebied psychologie, maar we konden geen vakgroep vinden die daarvoor interesse had.”

Dat verbaast ook Robbert Dijkgraaf, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en hoogleraar mathematische fysica: „In de bètawetenschappen heerst een sterkere cultuur om data te delen. Vaak kan dat ook niet anders, omdat bijvoorbeeld in de deeltjesfysica zo ongelooflijk veel data worden geproduceerd dat je een onderzoeker die onmogelijk in zijn eentje kan laten analyseren.”

Het is volgens Dijkgraaf echter niet zo dat gammawetenschappen als psychologie fraudegevoeliger zijn dan bètawetenschappen. „Een paar spectaculaire fraudegevallen van de afgelopen jaren betroffen bètawetenschappers die data hadden vervalst.” Wetenschappelijke fraude wordt volgens Dijkgraaf in de hand gewerkt door de concurrentie tussen wetenschappers, die de afgelopen jaren sterk is gegroeid. „En in opkomende landen is de controle op de kwaliteit minder dan in Nederland.”

Vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften als Science en Nature vormen van oudsher een kwaliteitswaarborg, doordat wetenschappelijke artikelen voor publicatie door vakgenoten worden beoordeeld. „Tegelijkertijd dreigt publicatie in zo’n tijdschrift een doel op zich te worden”, zegt Dijkgraaf. „Dat vergroot de publicatiedruk.”

Voor psychologen komt daar nog bij, dat zij relatief weinig onderzoekstijd hebben, zegt Laurens Hessels. Hij promoveerde vorig jaar op een onderzoek naar publicatiedruk in de wetenschap: „Psychologie is een opleiding met zeer veel studenten. De meeste psychologen besteden zeker de helft van hun tijd aan onderwijs. In de schaarse onderzoekstijd die ze hebben, gaan ze dan niet het werk van vakgenoten overdoen.”

De tijdsdruk zorgt ervoor dat de controle op de kwaliteit van onderzoek onder druk staat, zegt Hessels. „Als je zelf al weinig tijd hebt voor onderzoek en je wordt gevraagd om de peer review te doen van het artikel van een ander, dan besteed je daar misschien minder tijd aan dan eigenlijk zou moeten.”

Hessels benadrukt dat publicatiedruk nooit de reden kan zijn geweest voor Stapel om in de fout te gaan. „Hij produceerde zeer veel onderzoek. Dit jaar al bijna twintig artikelen. Dat is niet de norm binnen zijn vakgebied. Maar misschien wel de norm die hij zichzelf had opgelegd om aan de top te komen.”