'M'n kinderen, m'n vee, ik vind ze niet terug'

Het Noord-Soedanese leger is in het offensief in de grensstreek. De VN spreken van oorlogsmisdaden. Correspondent Koert Lindijer bezoekt als een van de eerste journalisten het strijdgebied.

Grootmoeder Hakama Adam leeft in een grot. Ze zocht hier veiligheid na het uitbreken van de oorlog, drie maanden geleden in de Nubabergen in de Noord-Soedanese regio Zuid-Kordofan. Het regeringsleger voert er zware bombardementen uit op burgerdoelen. Haar honderd jaar oude echtgenoot kan niet meer horen sinds vorige week vlakbij een bom insloeg.

Kleindochter Amona bijt op haar nagels. „Ik ben bang in het donker”, zegt ze met een piepstemmetje. Een vuurtje stoken is gevaarlijk, het verraadt de schuilplaats van de vier families in de rotsberg. „Het stikt hier van de slangen. Ik wil terug naar school, maar die is gebombardeerd.”

Grootmoeder biedt gekookte boombladeren aan. „Zit niet met die bomscherf te spelen”, maant ze een ander kleinkind. „je haalt je vingers open”. Een deel van de bom rolde de berg af en belandde voor de grot. Een kind kwam die ochtend om het leven; een baby werd na voortijdige weeën geboren.

Is Soedan veroordeeld tot oorlog? Nauwelijks is met de afscheiding van Zuid-Soedan de bloedige oorlog met het zuiden formeel afgesloten, nog steeds woedt het conflict met rebellen in Darfur, en tegelijk heeft de Noord-Soedanese regering in Kordofan en de naburige provincie Blue Nile een nieuwe oorlog gelanceerd. Honderdduizenden mensen zijn inmiddels gevlucht en honderden gedood; de Verenigde Naties hebben het over oorlogsmisdrijven en spraken hun diepe bezorgdheid uit.

Soedan worstelt altijd met zijn Arabische en Afrikaanse identiteit. De regering wil volgens rebellen van het Noord-Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA/N) de Afrikaanse Nuba’s uit hun woongebied verdrijven en het land geven aan Arabische Soedanezen. „Dit is een oorlog tegen Afrikaanse volkeren in Noord-Soedan. Net als in Darfur en Blue Nile, waar sinds vorige week ook hevig wordt gevochten met het SPLA/N”, zegt Logli Drod, commandant van het SPLA/N in het westen van de Nubabergen.

In de verte, op 15 kilometer afstand, glinsteren op de boomsavanne de daken van Dilling, een stad in handen van het regeringsleger en omsingeld door de rebellen.

Beneden aan de berg ligt het dorpje Nittel. Het is vrijwel verlaten. Ibrahim Abura (65) hurkt bij zijn verbrande graanopslagplaats. Ook geraakt door bommen. „Ik rende naar de berg maar was te laat.” Hij toont de wond in zijn dij. „Mijn kinderen, mijn vee, ze renden alle kanten uit, ik heb ze nog niet teruggevonden.”

Het is regenseizoen in de Nubabergen, maar de akkers zijn overwoekerd door hoog gras. Er worden geen voedselgewassen gezaaid. De boeren, panisch voor de bommenwerpers die iedere dag overvliegen, durven niet te werken op hun velden. Hulporganisaties mogen van de Soedanese regering het gebied niet in. Bewoners kunnen er niet uit om in de stadjes eten te kopen. „Regeringssoldaten arresteren ons bij wegversperringen”, vertellen ze. „De regering wurgt ons”, klaagt Ibrahim Abura, „we worden uitgehongerd.”

Hassan Kuku leert de bevolking zich te beschermen. Hij werkt samen met het SPLA/N. „Ga vooral niet rennen”, adviseert hij. De bombardementen worden uitgevoerd door Antonov vrachtvliegtuigen waar de bommen uit worden gerold, of door Mig-gevechtsvliegtuigen. „Hoor je het doffe gebrom van een Antonov en vervolgens tshtshtsh, dan heb je dertig seconden om dekking te zoeken. Het beste is om plat op je buik te gaan liggen.”

Overal zijn bomkraters, sommige met een doorsnee van vijf meter. Hassan laat een bomkrater zien met een plas met een rode chemische substantie. „Bewoners klagen over pijn aan keel en ogen en over huidziektes”, vertelt hij. „Stenen zijn van kleur veranderd. Ik raad de bewoners aan een zakdoek voor hun mond te houden bij zo’n bom en tegen de windinrichting te lopen.”

Het gevaar komt niet alleen van boven. Het dorpje Coeli ligt vlak bij Dilling. De apenbroodboom is gekliefd door een bom. „Drie keer per dag vliegen ze over”, vertelt Yasimin, de eigenaar van een graanmaalmachine. „Toen we het suikerfeest vierden, kwamen ook 34 legerauto’s vol regeringssoldaten. Ze riepen: ‘Jullie zijn SPLA’. Ze ontvoerden 21 mannen, roofden onze eigendommen en verkrachtten zeventien vrouwen.”

„Ik heb geen enkele eenheid gestationeerd in Coeli”, verzekert SPLA/N-commandant Logli Drod. „Het regeringsleger heeft het gemunt op burgers”.

In rapporten van de Verenigde Naties en mensenrechtenorganisaties staat hoe het regeringsleger wraak neemt op SPLA/N-leden en Nuba’s in de regionale hoofdstad Kadugli. Op satellietfoto’s zijn massagraven waar te nemen.

Bij het dorpje Salara veroverden de rebellen na een beleg van dertig dagen enkele weken geleden een commandopost van het regeringsleger. Bij het kampement is een stuk grond omgewoeld. Een massagraf, zegt het SPLA/N. „De rebellen gingen er graven omdat ze dachten dat er wapens lagen”, vertelt een inwoner van Salara. „Ze vonden er achttien lijken, waaronder dat van een vrouw. Ze hadden geen uniformen aan.”