Minder EU of juist meer, iets anders is er niet

De Europese leiders houden zich bezig met gepruttel in de marge. Wat procentpuntjes hier, een spoedoverleg daar, een topconferentietje zus – het is stomvervelend en onnavolgbaar. Ook premier Rutte raakte de draad onlangs volkomen kwijt toen hij zich een slordige 50 miljard euro vergiste. Als zelfs de premier het niet meer begrijpt – nadat hij er naar eigen zeggen „de hele dag” mee bezig was geweest – gaat er toch wel iets mis.

Daarom moeten we even uitzoomen en kijken naar het grotere plaatje. De kern van de crisis is dat lidstaten bevoegdheden hebben overgedragen aan de Europese Unie zonder een centrale handhavinginstantie in te stellen. Op twee terreinen levert dit problemen op.

Ten eerste de euro. Landen als Griekenland, Ierland en Portugal hebben vanwege de euro jarenlang goedkoop kunnen lenen op de kapitaalmarkt. Bij gebrek aan centraal toezicht konden onverantwoorde schuldposities ontstaan. Een stijging van de rente op staatsobligaties, de normale rem op overheidsuitgaven, bleef uit. De internationale kapitaalmarkt rekende erop dat Nederland en Duitsland garant zouden staan, zoals ook is gebleken. Nu moeten de Grieken een draconisch pakket aan bezuinigingen doorvoeren, terwijl de Noord-Europese landen bovendien flink moeten bijbetalen. Dit is een lose-lose-situatie.

Het tweede structuurprobleem van de EU betreft de open binnengrenzen. Zolang de diverse lidstaten nog altijd hun eigen immigratiebeleid bepalen, is dit democratisch onaanvaardbaar. Toen Spanje in 2005 aan 700.000 illegalen een generaal pardon gaf, gaf Spanje hun daarmee ook het recht om zich bijvoorbeeld te vestigen in Nederland. Daarmee is Nederland zijn zeggenschap kwijt over wie zich hier mogen vestigen en wie niet. Bovendien functioneren de buitengrenzen in Zuid-Europa nauwelijks. Illegale immigranten komen via Griekenland of Italië Europa binnen en kunnen daarna vrij doorreizen naar het noorden. Deze situatie bracht Denemarken onlangs ertoe om opnieuw grenscontroles in te stellen, in weerwil van de afspraken.

Gegeven deze twee structuurproblemen zijn uiteindelijk twee posities denkbaar. Ofwel je bent ervoor dat de bevoegdheden die nu ontbreken – zoals sterke fiscale controle, centraal immigratiebeleid en centrale grensbewaking – worden overgeheveld naar Brussel. Ofwel je bent voor geleidelijke ontmanteling van de euro, het opnieuw invoeren van nationale grensbewaking en een nationaal immigratiebeleid. Meer smaken bestaan niet.

Kies je voor de eerste optie, dan ben je een eurofederalist. Uiteindelijk ontkom je dan niet aan een Europese minister van Financiën die direct belasting kan heffen en die de uitgaven van de lidstaten controleert. Landen kunnen essentiële politieke vragen – zoals over begrotingsbeleid, oorlog en vrede – dan niet langer zelf bepalen, maar hebben een stempel nodig uit Brussel.

Het Europarlement zal de bevoegdheid moeten krijgen te beslissen over immigratiebeleid, maar er zal centrale grensbewaking moeten worden georganiseerd. Die zal uiteindelijk uitmonden in een centrale buitenlandpolitiek en een Europees leger.

Wie de EU accepteert, zal moeten aanvaarden dat zij uiteindelijk onvermijdelijk uitmondt in een federale staat. Terecht wordt dit eurofederalisme bepleit door iemand als de Belgische oud-premier Guy Verhofstadt. Een monetaire en een economische unie werken niet zonder een politieke unie. Een half schip kan niet varen.

Er is één ‘maar’ – een federale staat kan niet bestaan zonder volk. Denk aan België. Dat is onbestuurbaar, vanwege animositeit tussen Vlamingen en Walen. Als het na 180 jaar niet is gelukt om van twee volkeren één te maken, hoe denken we dan ooit van 27 volkeren één Europese natie te kunnen maken? Waar Verhofstadt zijn tegenstanders verwijt dat ze vasthouden aan een ‘gevaarlijke droom’, is hij uiteindelijk zelf de dromer.

In zijn column (NRC Weekend, 3 september) schrijft Bas Heijne terecht dat het „levensgevaarlijk” is om bij het dromen van Europese eenwording de realiteit van nationale eigenheid te negeren. „Ik voorspel geen eenheid, ik voorspel opstand.”

Precies vanwege deze realiteit is het nodig dat we nadenken over alternatieven voor de bestaande EU waarbij meer bevoegdheden komen te liggen bij de lidstaten en de nationale parlementen en waarbij de macht van Brussel geleidelijk wordt ontmanteld. Zo opperde de voorzitter van de Duitse werkgeversorganisatie om een muntunie te vormen met Duitsland, Oostenrijk en de Benelux. De Zuid-Europese landen kunnen dan devalueren, worden goedkoper en kunnen behalve goedkoop toerisme ook de ‘maakindustrie’ aantrekken die nu – vanwege het ontbreken van een goedkope peseta, lire of drachme – uitwijkt naar China.

Ook moeten we het Schengenverdrag heroverwegen en mogelijkheden voor hernieuwde nationale grensbewaking onderzoeken. De recente onrust over Poolse arbeidskrachten duidt op reële onvrede. Waar nationale verkiezingen bovendien door immigratievraagstukken worden gedomineerd, is het ondenkbaar dat we via de EU worden geconfronteerd met immigratie waarover we niets te zeggen hebben gehad.

Wat voor regeling er ook wordt getroffen om de crisis te bestrijden – het is wachten op de volgende crisis. Het is eurofederalisme of vrijhandel tussen soevereine staten zonder euro en zonder open grenzen. Al het andere is uitstel van executie.