Met de neus op de feiten

Theo Verhaar: Alle gedichten. De Harmonie, 301 blz. € 19,90

De Rotterdamse dichter Theo Verhaar stierf in 1999 op 45-jarige leeftijd aan botkanker. Voor een dichter die geen Slauerhoff of Lodeizen heet biedt zo’n vroege dood een gegarandeerd uitzicht op vergetelheid. Maar gelukkig zijn er uitgevers die hun auteurs over het graf heen trouw blijven en een decennium na het overlijden nog een verzamelbundel op de markt durven brengen.

Verhaar publiceerde van 1991 tot en met 1998 vijf dichtbundels. Postuum kwam daar in 2000 nog een zesde bij. Een productieve dichter dus, die bij een langer leven ongetwijfeld meer van zich had laten zien en lezen. Dat ‘meer’ zou zich dan wel paradoxaal verhouden hebben tot het karakter van zijn poëzie, want als dichter was Theo Verhaar bovenal een ‘minimalist’. ‘Ik ga naar de kern van de zaak. Ik probeer er niet omheen te draaien,’zei hij in oktober 1996 in een interview in het literaire tijdschrift Passionate. ‘Wat ik doe is ruimte creëren, dat is wezenlijk. Ik creëer ruimte voor een volgende zin.’

Nu de zes bundels zijn samengebracht in Alle gedichten blijkt duidelijk hoe rechtlijnig de dichter zijn programma volgde. Stilistische kaalslag en een ingehouden, nuchtere formulering bepalen consequent de toon. De inhoud lijkt aangestuurd door ideeën (waaraan het Verhaar als net-niet-afgestudeerd filosoof niet ontbrak), maar de kracht van deze poëzie schuilt in de manier waarop die ideeën in beeld zijn gebracht. Veel gedichten lijken niet verder te komen dan een vluchtige metafoor, maar bij herlezing blijkt wat Verhaar zelf in zijn tweede bundel Eeuwig tweede (1993) verwoordde: ‘Een metafoor verkavelt / het bewustzijn, / maakt de dingen onzeker.’

Er is wel beweerd dat Verhaars gedichten een sterk haiku-karakter vertonen. Ik begrijp die gedachte wel. Zijn gedichten zijn kort en beeldend, en wekken tegelijkertijd de illusie dat er meer bedoeld wordt dan bij eerste lezing overkomt. Neem een vers als

De namaakmarmeren tafel

met zijn striemen van kou

als in een diepgevroren visfilet,

wacht zonder een krimp te geven

op haar ontdooiing.

Dat biedt een kortstondig beeld, maar in het oeuvre van Theo Verhaar is dit gedicht de zoveelste echo van zijn thematiek: onontkoombare vergankelijkheid, puin en as. Niet de wederopbouw van zijn woonplaats bezong hij, maar juist dat wat die wederopbouw in Rotterdam (maar ook Dresden en andere puinsteden in Europa) wegmoffelde. Vooral in zijn vierde bundel, Het badwater van de fotograaf (1996), beschrijft hij de ontluisterende achterkant van het nieuwe gevelwerk. Dresden is dan een ‘stad zonder gezicht, maar met voorname trekken’.

Ontluistering is het trefwoord. Ook in zijn latere bundels. Het meest persoonlijk in de cyclus ‘Nawakker’ in de gelijknamige bundel (1998). In 23 gedichten beschrijft Verhaar daarin de aftakeling van een vrouw. In het zicht van haar overlijden is de vergankelijkheid al deel van haar dag:

Ze is niet eerder zo dood geweest.

De nerf in haar beweringen is aangetast

en vaag wordt wat ze wil verwerven.

Ze jaagt haar huisraad op.

Wasgoed krijgt de kans niet om te drogen.

Ze groet de dingen nu ook ’s avonds en ’s nachts.

Doodgaan is in de taal van Verhaar geen sinecure: ‘Als ze waar dan ook / zou willen sterven, / moet ze vreemd genoeg / eerst leren tellen, onthouden, / desnoods met haar vingers, / waar ze gebleven is.’

‘Het lijkt,’ schrijft Rob Schouten in een verhelderend nawoord, ‘alsof hij zijn lezers niet zozeer op de poëzie alswel op de steenachtige waarheden van het bestaan wilde drukken. Geen troost in dit universum maar de neus op de feiten.’

Kleurloosheid, stelde Verhaar zelf, is de beste eigenschap om te overleven. Maar zo versteend en kleurloos is zijn verswerk nou ook weer niet. Dresden mag dan een gezichtloze stad zijn, het is wel een levendig organisme, want ‘Volg je de zijarmen, / zijn de straten mager en lang, / alsof ze in conditie willen blijven. // Op elke hoek / vind je sigarettenautomaten. / De longen met muntstukken gevuld.’

Dat Theo Verhaar zich tijdens het schrijven van zijn laatste bundel, Valscherm voor Erasmus (2000), bewust was van zijn eigen eindigheid, ademt niet alleen de inhoud van die bundel, maar ook de uitgebeende vorm. De prosodische kaalslag is hier tot het uiterste gevoerd. De meeste regels zijn hooguit drie woorden lang, sommige zelfs maar één woord van een enkele lettergreep.

De boodschap van deze laatste gedichten is allerminst verhullend, maar laat zich net als die van het vroegere werk ook niet dadelijk duiden. Helder is wel dat Verhaar tot op het laatst voor poëtische nuchterheid koos. Het door een gifkuur veroorzaakte verlies van haar werd dan ook ‘voorspelling / van een theorie / in plaats van / zoute wind.’

‘Poëzie voor fijnproevers’ noemt Rob Schouten dit oeuvre. Wie die staat nog niet bereikt heeft kan alsnog fijnproever worden. In mijn huis blijft Alle gedichten voorlopig nog op het nachtkastje.