In China is zo'n som maar een fooi voor de economie

Aziatische investeerders reageerden vandaag lauw op het banenplan van president Obama. Niet verwonderlijk, want zeker voor Chinese begrippen gaat het om een project van bescheiden omvang: 447 miljard dollar, waarvan slechts 105 miljard in publieke werken.

China (overheden en staatsbedrijven) pompt de komende jaren alleen al in de dun bevolkte, meest westelijke provincie Xinjiang meer dan 300 miljard dollar. Kapitaal dat wordt gebruikt voor de aanleg van vliegvelden, nieuwe steden, wind- en zonneenergieparken, wegen naar omringende, Centraal-Aziatische landen en pijpleidingen naar buurlanden met olie- en gasvoorraden.

In de koele houding van de Aziatische beurzen speelt ook mee dat Obama moet afwachten of zijn ‘banenplan’ met lastenverlichtingen en extra uitgaven in het Congres de eindstreep haalt. Dat gaat in China anders. Als de autoriteiten beslissen dat de economie gestimuleerd moet worden, volgen de staatsbanken, zoals nu in Xinjiang is te zien. Vanuit deze grondstofrijke provincie wil China een nieuwe Centraal-Aziatische handelsroute ontwikkelen.

Daar voltrekt zich een herhaling van 2008/2009, toen de Chinese overheid met ruim 500 miljard dollar de wereldeconomie uit het slop trok. Dat bedrag werd door banken verdrievoudigd en maakte van China een reusachtige bouwput. Voor een land met een begrotingstekort van 3 procent en een pot buitenlandse deviezen van 3.200 miljard dollar is dat eenvoudiger dan in de VS. Daar steeg na 9/11 door oorlogen en financiële crisis het begrotingstekort tot 1.580 miljard dollar. Dat is toevallig ongeveer het bedrag dat in China sinds 2009 in nieuwe steden, vliegvelden, industrieterreinen, bruggen en wegen wordt gestoken. Het onderstreept dat China de motor van de wereldeconomie is geworden. „Hadden die Amerikanen maar niet zo gek moeten zijn oorlog te voeren in het Midden-Oosten’’, was vanochtend een veel gehoorde reactie op Obama’s banenplan en de herdenking van 9/11 morgen.

Oscar Garschagen