Ik stop reacties in het laatje 'gek'

Dick Swaab (66) is hersenonderzoeker en schrijver van Wij zijn ons brein.

Hij werkt door zo lang hij het leuk vindt, maar ook zo lang hij getolereerd wordt.

Dick Swaab heeft zojuist zijn auto total loss gereden. Hij reed een parkeerhaventje uit en werd geschept door een vrachtwagen. Van zijn Saab is niets meer over. Twee uur later zit hersenonderzoeker Dick Swaab (66) klaar voor het interview. Op zijn kamer in het herseninstituut bij het AMC in Amsterdam. Het werk gaat door. Altijd. Mocht zijn hernia opspelen, dan verplaatst hij zich naar de bedbank. Vergaderen kan ook liggend. En toen er een beenmergpunctie nodig was, moest de dokter zijn medewerkers opzij duwen om erbij te kunnen.

Wat is dat toch? Tja, tja, mompelt Dick Swaab. Ieder jaar neemt hij een kleinere agenda, maar het helpt niet. En dan opeens komt het antwoord – hij fluistert het bijna: het is een afwijking. Vergelijk hem met een mammoettanker. „Probeer die maar eens af te remmen. Daar heb je jaren voor nodig.”

Swaab gelooft niet dat je veel tegen deze karaktereigenschappen kunt inbrengen. Een gedachte die hij inmiddels wijd verspreid heeft, met zijn bestseller Wij zijn ons brein. Hij legt daarin de werking van de hersenen uit, en hoe die ons leven bepalen. Vrijwel alles ligt volgens hem al bij de geboorte vast.

Swaab kwam in 1966 op het Herseninstituut in Amsterdam terecht. Ze zochten er een student-assistent. Hij werd er directeur. In 1985 richtte hij de Nederlandse Hersenbank op. Afgelopen jaar nam Swaab afscheid als hoogleraar neurobiologie aan de UvA. Omdat het moest. Maar gestopt met werken is hij niet. Zijn onderzoeksgroep gaat door. En hij werd bijzonder hoogleraar in China. En hij is begonnen met het opzetten van een Chinese hersenbank.

U begint weer helemaal opnieuw?

„Ja (lacht besmuikt). Ik kreeg die baan aangeboden. En China is het enige land waarvan de regering onderzoek nog stimuleert. Ik heb hier niet anders meegemaakt dan dat het alleen maar moeilijker en moeilijker wordt. Dus het is er wel leuk werken nu.”

Klopt het cliché: Chinezen zijn harde werkers?

„Ongelooflijk harde werkers.”

Kunt u ze bijbenen?

„Ik ben wel gewend om ’s avonds en in het weekend door te werken. ”

Waarom werkt u eigenlijk nog?

„Ja, haha, dat is een goeie vraag. Ik zou gek worden als ik opeens moest stoppen. Je moet langzaam afkicken natuurlijk, maar dat lukt ook al niet. Ik heb het nog nooit zo druk gehad als nu. Mijn boek, die nieuwe baan. En ik moet er zijn voor mijn promovendi. Die hebben me nodig. Het zijn mijn wetenschappelijke kinderen.”

Ziet u dat zo?

„Ja. Zo voel ik dat ook. De promovendi van mijn promovendi, dat zijn dus mijn wetenschappelijke kleinkinderen.”

Heeft u een missie?

„Nou, dat is een zwaar woord, missie. Maar ik wil wel dat er een aantal dingen aan de orde komt. Een van die dingen – en daar kan ik best over praten – dat is een wetswijziging voor euthanasie. Er zijn een paar groepen in Nederland voor wie het goed geregeld is. Voor mensen die ernstig ziek zijn bijvoorbeeld, kanker hebben, noem maar op. Helemaal geen punt meer tegenwoordig. Maar er is ook een groep mensen voor wie die zelfgekozen dood veel lastiger is.”

Welke groep?

„Ouderen bijvoorbeeld. En dat zijn er steeds meer. Als je de baring overleeft word je al gauw tachtig. Die ouderen krijgen kleine makkes, gaan slecht horen, slecht zien. Maar ze hebben geen ernstige ziekte waaraan ze doodgaan. Die kunnen nog wel tien jaar mee. Maar dat willen ze niet. En 85 procent van de Nederlanders vindt dat je dan in aanmerking moet kunnen komen voor euthanasie. Daar moet dus een wetswijziging voor komen. Dat is een van de dingen die ik nog wel wil meemaken voor ik stop.”

Wat staat er nog meer op uw lijstje?

Lacht voorzichtig. „Nou, ja… laat maar. Dat blijkt nog wel.”

Dat is geheim.

„Niet geheim. Maar ik presenteer het tegen die tijd wel. Ik wil er geen vragen over krijgen voordat ik het zelf allemaal rond heb.”

Tot die tijd stopt u niet met werken?

„Het is geen dreigement, hoor. Maar nee, ik heb nog geen plannen om te stoppen. Het hangt ervan af hoelang ik het nog leuk vind. En of ik getolereerd word. ”

Er zijn mensen die vinden dat u buiten uw boekje gaat – dat u zich niet op het terrein van de filosofie, psychologie en rechtspraak zou moeten begeven.

„Bepaalde dingen heb ik goed doordacht. Daar heb ik een mening over, en die mening geef ik. Als mensen met argumenten kunnen aantonen dat ik mis zit, dan zie ik dat graag. Maar dat is nog niet gebeurd. De meeste andere onderzoekers willen niet gestoord worden door de maatschappij. Maar ik denk dat het juist belangrijk is. Wij doen onderzoek op basis van publiek geld. Dan vind ik het ook zaak dat er publieke kanten aan dat onderzoek zitten. Dat je verantwoording aflegt. Ook de consequenties van het onderzoek uitlegt. Dat probeer ik.”

Maar het zijn wel altijd de controversiële onderwerpen die u aansnijdt.

„Ja, kijk als mijn onderzoek niet controversieel zou zijn, dan hoef ik het niet te doen. Dan is iedereen er al mee bezig, dan durft iedereen het aan.”

U houdt van discussie?

„Nou nee, het was niet altijd gemakkelijk. Kijk toen ik voor het eerst over het geslachtsverschil in de hersenen schreef, kreeg ik te maken met het fundamentalistisch feminisme. Zij waren boos, maar ze waren niet goed georganiseerd, gelukkig. Veel lastiger was het toen ik publiceerde over de verschillen in relatie tot homo- en heteroseksualiteit in de hersenen.”

Wie werden er boos?

„Dat is een kleine groep geweest, die het idee had dat alle mannen homoseksueel waren. Maar een kleine minderheid maakte de ‘keuze’, zoals zij dat noemden. Toen ik zei dat die keuze al voor jou gemaakt wordt in de baarmoeder, sloeg ik de poten onder hun religieuze opvatting vandaan. Daar werd heftig op gereageerd, en dan schreeuwen alle gekken mee. Bommeldingen, demonstraties, dag en nacht telefoonterreur. Dat was heel vervelend. Ik had me toen natuurlijk kunnen gaan richten op risicovrij onderzoek. Hoe het gewicht van de hersenen zich ontwikkelt bijvoorbeeld. Maar dat is geen uitdagend onderzoek.”

Wat doet dat met u – die reacties?

„De interessante dingen gaan in de la ‘gek’ [Hij wijst op een la, met een rode sticker ‘Gek’, tot aan de nok gevuld met brieven]. „Gekke reacties. Op het boek, mijn werk. Op mij. Er komt een tijd dat ik er eens voor ga zitten.”

U kunt er niet mee zitten?

„Niet meer. Je moet je er tegen leren weren, dat wel. Misschien heb ik dat van mijn vader geleerd. Toen hij zich bezig hield met de introductie van de pil, werd hij uitgescholden, op een vreselijke manier. Ik zat erbij als kleine jongen. Ik vond het vreselijk. Maar hij bleef rustig, gaf zijn argumenten. En kreeg gelijk.”

Twijfelt u zelf weleens?

„Natuurlijk. Ik doe onderzoek. Ik ben voortdurend bezig met dingen die niet duidelijk zijn. Dingen begrijpen dat is wat iedere onderzoeker drijft. Dat is waarvoor je het werk doet.”

Maar u wilt stiekem óók de wereld verbeteren?

„Ja, ik wil iets extra’s. En dan krijg je wat weerstand zo nu en dan ...”

Maar die belandt dan gewoon in dat kleine laatje.

„Als iemand goed gek is wel ja.”