Hoor het stormen in mijn hoofd

Het genre van het ‘ouderboek’ groeit net zo gestaag als er aftakelende ouders bijkomen (en verdwijnen). Ook Erwin Mortiers ongemakkelijke nieuwe roman over zijn moeder valt eronder.

Erwin Mortier: Gestameld liedboek. De Bezige Bij, 192 blz. € 17,90

Als de aftakeling van een ouder één ding wakker roept in een kind, dan is dat een verlangen om het verval vast te leggen. Daarbij hoort allereerst het markeren van een beginpunt, zoals Erwin Mortier dat doet in zijn vandaag verschenen Gestameld liedboek: ‘Het begint met het woord „boek”, het woord dat haar maar niet te binnen wil schieten wanneer ze op een middag voor mijn bibliotheek staat en vraagt wanneer ik nog ’s, je weet wel, zo’n ding, of ik binnenkort weer ’s – en ze brengt haar handen met de vingers gestrekt naast elkaar en klapt ze open en dicht. Of ik dat nog ’s ging doen, dat schrijven, hoe heet dat, zo’n ding. Ze geeft mijn vader een por met de elleboog: Zeg jij het, jij weet het.’

Veel pijnlijker kan het niet worden: een oude vrouw, de moeder van een schrijver nog wel, die staand in een kamer die vier letters niet meer uit haar brein kan opdiepen, waarbij het allemaal alleen maar erger wordt door die hier-is-niets-aan-de-handerige por in de zij van haar man. (Iets pijnlijker blijkt het trouwens nog wel te zijn: de vrouw is pas zesenzestig).

Het genre van het ‘ouderboek’ groeit zo gestaag als er aftakelende ouders bijkomen (en verdwijnen). Twee jaar gelden beleefde het genre een hoogtepunt met Sprakeloos van Tom Lanoye, een boek waarin hij niet alleen beschreef hoe zijn moeder haar taal verloor, maar vooral hoe hij, de schrijver Tom Lanoye, zijn taal en dus zijn talent aan haar te danken had gehad. Dit voorjaar verscheen Het raadsel vader, een roman van Monika Sauwer waarin een dochter de laatste levensetappe van haar vader volgt.

Het genre scharniert vrijwel altijd om een oerpunt, een moment van waaraf het verval achteraf als onomkeerbaar kan worden beschouwd, waarna het leven van de vader of moeder zich verdeelt in een overzichtelijk ervoor en erna. Vaak gaat het uiteindelijk om het ervóór. Meer dan aan het documenteren van de aftakeling wijden de boeken zich aan het bezweren van het verval: het terugveroveren van de tijd waarin alles nog goed was of waarin de persoonlijkheid van de ouder nog niet in de mist was verdwenen. Zo ontstaat wat flaptekstschrijvers graag een ‘monument’ noemen.

Sauwers Het raadsel vader volgt dat stramien. Het begin van het einde is in deze roman duidelijk fysiek gemarkeerd. Op een dag valt de vader, een schilderende tachtiger, van de keldertrap. Het is de opmaat voor een bestaan tussen ziekenhuis en thuiszorg, waarin de vader aanvankelijk ook zelf zijn best doet om het contact met zijn eigen verleden niet te verliezen. De roman volgt een heldere lijn, waarbij de dochter poogt dieper tot haar vader door te dringen – waar ze maar half in slaagt. Na een herkenbare tocht langs piketpaaltjes als ziekenhuispudding, opstatoel en persoonsgebonden budget eindigt die bij het sterfbed, waar iets van verzoening met het lot volgt.

Bibliotheekscène

Van Erwin Mortiers Gestameld liedboek, als roman gepresenteerd maar onmogelijk anders dan als autobiografisch te lezen, verwacht je aanvankelijk hetzelfde. Wanneer Mortier het hierboven aangehaalde ‘begin’ op pagina 10 noemt, vermoed je dat de bibliotheekscène de scheidslijn zal blijven tussen het ‘ervoor’ en ‘erna’. De schrijver zal met de verbeelding proberen terug te veroveren wat alzheimer zijn moeder heeft afgenomen.

Maar nee. Al na drie pagina’s weet de schrijver niet meer zeker of het verval niet éérder had ingezet: ‘Begon het toen ze niet langer meer naar het koor ging?’ Of: ‘Was ze al ziek toen ze onrustig werd wanneer we thuis onaangekondigd over de vloer kwamen, wij, mijn broers, zussen en hun kroost? Haar stille paniek voor de keukenkast, omdat ze de tafel niet gedekt kreeg.’ En nog even verder: strooide ze eigenlijk niet haar hele leven suiker over de biefstuk? Hoe zit het trouwens met hemzelf? Hij raakt in paniek als hij zelf het zout niet kan vinden (het staat in de ijskast). Kan het met 44 al beginnen?

Heel snel komt de zoon bij de gedachte: ‘Laat haar doodgaan, laat haar gaan in haar slaap die haast nooit meer een vredige slaap lijkt, maar een geërgerde sluimer’. Mortier doet in de eerste plaats associatief verslag van zijn eigen indrukken en gedachten, ze opperend, hernemend en soms weer herroepend. Het stamelen uit de titel slaat dan ook niet alleen, of niet zozeer, op de moeder die haar taal verliest, maar ook op het boek zelf. De hoofdstukken zijn kort, de overgangen zijn ruw en de lijn van het verhaal is wat verhuld. Soms volgt er ineens een gedicht.

Dit is geen boek waarin de heldere geest van het kind probeert orde te scheppen in het spookhuis dat de wereld van zijn moeder is geworden, maar veel meer in een roman waarin het draait om hoe de kaalslag in het hoofd van de ouder ook de geest van het kind ontregelt.

Het maakt Gestameld liedboek tot een boek dat onvoorspelbaarder en verrassender is dan de meeste boeken uit het genre, maar ook tot een ongemakkelijke leeservaring. Je zit het verval dicht op de huid: je ziet de moeder steeds magerder en zwakker, als een hondje achter haar stofzuigende man aanlopen, tot het snoer tussen haar voeten verward raakt en ze valt – op naar een nieuwe complicatie.

Dweil

Mortier schrijft intens betrokken over de moeder en vol woede over haar ziekte. Instemmend haalt hij een vriend aan die over de dementie van zijn eigen moeder zei: ‘Het is de meest lafhartige, achterbakse ziekte die ik ken. Ze heeft mijn moeder uitgewrongen als een dweil en in een hoek gesmeten.’

Maar naar mate het boek vordert begint je te dagen dat je iets mist: eigenlijk kom je heel weinig over de moeder te weten, over de tijd waarin ze nog niet was ‘uitgewrongen’. Waar in de roman van Sauwer het naderende einde van de vader wordt aangegrepen om hem beter te leren kennen (of althans een poging te doen) en waar Lanoye in Sprakeloos óók de biografie van zijn moeder schrijft, beperkt Mortier zich tot de patiënt en tot zichzelf.

De meest voor de hand liggende vorm van troost – het vieren van het moois dat er is geweest – ontzegt hij zichzelf en de lezer. Gestameld liedboek staat vol met zinnen als ‘Maar alles moet kapot’. Mortier haalt Flaubert aan: ‘Dom zijn, egoïstisch en gezond, ziehier wat je nodig hebt om gelukkig te zijn. Maar als het eerste ontbreekt, dan is alles verloren.’

Even los van de pedante toon (er is maar één Flaubert): het citaat drukt de kern van Gestameld liedboek uit. Dit is een troosteloos boek, of preciezer: een boek over ontroostbaarheid. Die ontroostbaarheid strekt zich veel verder uit dan de ziekte van de moeder, die heeft de hele wereld van Mortier in zijn greep.

Dat Erwin Mortier de troosteloosheid van zijn eigen ervaring verkiest boven de mogelijkheid om de moeder in het zonnetje te zetten, geeft een ongemakkelijk gevoel. Je bent geneigd te denken dat hij zichzelf eigenlijk de minst belangrijke zou moeten maken. Aan de andere kant, maakt hij door zo dicht bij zichzelf te blijven, de woede en het verdriet om het verval alleen maar beter invoelbaar.

En als het zo stormt in het hoofd van het kind, hoe moet het er bij de ouder dan wel niet aan toe gaan?

Monika Sauwer: Het raadsel vader. Een ongemakkelijk afscheid. Nieuw Amsterdam, 222 blz. € 17,50Morgen in Zaterdag & Zondag: interview met Erwin Mortier.