Herten

Op de Hoge Veluwe gingen we een safaritocht maken, veilig in de auto van de boswachter. Het was ’s avonds ongeveer om half negen, toen wij op een groep edelherten stuitten, ongeveer vijftien mannetjes. De bronsttijd was nog niet begonnen, want dan zijn ze rivalen en mijden elkaars gezelschap, tenzij om een potje te vechten. We naderden heel voorzichtig, maar ze namen gehaast de benen en verdwenen achter een heuvel. „Wacht maar” zei de boswachter, „als ik dit paadje afrijd, komen we ze vanzelf weer tegen.” Door kuilen en mul zand, met links en rechts bloeiende hei, hobbelden we voort. En inderdaad. Daar stond een edelhert met een kapitaal gewei, zijn silhouet tegen de ondergaande zon, de lucht was felgeel en de zon een oranje bal, slierten violette wolken daarboven, in de suizende stilte. Het was regelrechte kitsch. Maar adembenemende kitsch. En ik werd weer veertien, toen ik op de Veluwe-zoom voor het eerst oog in oog stond met een hert en ook mijn adem inhield uit devote bewondering. Getuige van een beeld van onbegrijpelijke schoonheid.

En nu moet ik melding maken van iets merkwaardigs. En dat is, dat je zo’n hert, op een afstand van honderd, honderdvijftig meter, veel groter schat dan het eigenlijk is. Zo groot als een paard, lijkt het wel. Maar in werkelijkheid reikt zo’n dier met gewei en al niet hoger dan je borst. Ook reeën, met de afmeting van een geitje, ogen vele malen groter.

Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij sommige vogels. Reigers en ooievaars zien er reusachtig uit in de verte, maar kom je ze in Artis tegen, op enkele meters afstand, dan blijken het opeens teleurstellend kleine beestjes. De Amerikaanse woudloper William Long schreef eens dat beren in het donker veel groter lijken dan ze in het echt zijn.

Hoe dit komt, weet ik niet, daar ben ik nog steeds niet achter.

Romantisch gezichtsbedrog?