Een mentale naschok voor Christchurch

Vandaag begint in Nieuw-Zeeland het WK rugby.

Door de zware aardbeving van februari worden in het rugbygekke Christchurch geen WK-duels gespeeld.

Als burgemeester Bob Parker zijn kale hoofd door het raam van de bus steekt, doen twee militairen gedwee een stap opzij. The Red Zone, het geteisterde hart van de stad Christchurch in Nieuw-Zeeland, wordt zo even toegankelijk. Op 22 februari werden hier ruim 80.000 mensen opgeschrikt door een zware aardbeving. De straten, stegen en pleinen, zijn verlaten, op een handvol bouwvakkers en ingenieurs na.

De ravage oogt surrealistisch. Het doet denken aan een enorm kerkhof vol scheve grafzerken. Waar bepaalde gebouwen tamelijk ongeschonden de schokken doorstonden, zorgde omhooggekomen grondwater alsnog voor de genadeklap. De Grand Chancellor laat dit het best zien. Het hotel helt enkele meters naar links, als een moderne versie van de toren van Pisa, doordat de bodem is weggezakt.

Het mag een wonder heten dat slechts 181 personen de dood vonden. Nooit eerder hield zo’n krachtige aardbeving huis in een stedelijk gebied. De horizontale én verticale krachten van 2,2 G kenden hun gelijke niet. „Alsof je in een raket zit op het moment dat hij opstijgt”, vertelt Parker. Opmerkelijk genoeg staan veel structuren overeind, bijna alle in afwachting van de sloophamer. Voor de kathedraal in de stad geldt dat niet.

Hoeveel dit nationale monument betekent voor de stad, blijkt uit de provisorische wijze waarop de kathedraal is gestut. Om het karkas toonbaar te houden en te behoeden voor verder verval wordt de façade overeind gehouden door twee roestbruine metalen balken, afkomstig van omgevallen lichtmasten van Lancaster Park, het beroemde en populaire rugbystadion waar aanvankelijk zeven duels van het wereldkampioenschap gespeeld zouden worden.

Menigeen herkent direct de symboliek. Twee religies, een aardse en een spirituele, die elkaar ondersteunen in barre tijden. Voor de bevolking van Christchurch en de regio Canterbury voelt het mislopen van het wereldkampioenschap als een mentale naschok. De streek, die tien All Blacks levert aan het nationale team van Nieuw-Zeeland, zag het op twee na grootste toernooi ter wereld in het zicht van de haven aan zich voorbijgaan.

Zelfs wanneer alle ethische en logistieke problemen van tafel zouden worden geveegd, kan een stad zonder stadion geen eindronde van een groot toernooi huisvesten. Twee nieuwe tribunes zakten ongeveer dertig centimeter in de grond, maar niet gelijkmatig, zodat de overkappingen niet meer in balans zijn. Voor de Hadlee Stand, de minst moderne van het stel, dreigt acuut instortingsgevaar. En het veld oogt als een maanlandschap.

Het organiserend comité en de regering doen er intussen alles aan Christchurch te betrekken bij het wereldkampioenschap, dat vandaag begint. Alle goede bedoelingen ten spijt, weinigen lopen er echt warm voor. De fanzone, ingericht in het immense North Hagley Park, blijft naar verwachting vrijwel leeg. Voor het openingsduel van Nieuw-Zeeland tegen Tonga worden vandaag slechts drieduizend bezoekers verwacht.

Paul Ainsworth (52), elektricien en opgegroeid in Christchurch, verwoordt de gelatenheid als volgt: „Het is een gepasseerd station, de lol is eraf. Ik had kaarten voor alle wedstrijden. Ik keek vooral uit naar één van de twee kwartfinaleduels waarin de All Blacks zeker zouden verschijnen. Met mijn kinderen, die de enige wereldtitel (van 1987) niet bewust hebben meegemaakt. Nu blijf ik thuis en hoop ik dat we snel een nieuw rugbyonderkomen krijgen. Anders kan de sport zijn aantrekkingskracht op de jongste generatie verliezen.”

Deze wens blijkt niet onrealistisch, als burgemeester Parker van Christchurch de plannen voor de toekomst ontvouwt. „Moet een stadion prioriteit krijgen boven andere projecten? Hier in Canterbury wel, waar The Crusaders gevestigd zit, het beste clubteam op aarde. En geld is er. Als de meest noodzakelijke voorzieningen in orde zijn, komt het vanzelf op de agenda. De mensen verdienen het om rugby terug te krijgen in de stad. Voor hen is het een eerste levensbehoefte.”