Een goede universiteit is klein, geen fusiemoloch

Willen ze in Zuid-Holland een universiteit creëren naar Californisch voorbeeld? Ze doen het omgekeerde, aldus Ed P.J. van den Heuvel.

De consultants die de besturen van de universiteiten van Leiden, Delft en Rotterdam adviseerden over een fusie tot een topuniversiteit, presenteerden op de Opiniepagina van 5 september hun advies – maak een mega-universiteit met 55.000 studenten en geef deze extra overheidsgeld om top te worden.

Zij kozen daarbij, schreven ze, voor het model van de Universiteit van Californië (UC).

Nu ken ik deze universiteit zeer goed. Ik werkte vroeger op de UC-campus van Santa Cruz. De voorbije zes jaar werk ik een aantal maanden per jaar aan de UC Santa Barbara.

De UC is een staatsuniversiteit met een tiental campussen. Dit zijn in feite zelfstandige universiteiten. (Behalve de UC kent Californië nog andere universiteiten.) De UC heeft als politiek dat geen enkele campus groter mag worden dan 27.000 studenten. Dit is de omvang van de UC-campus in Berkeley. Een grotere campus acht het UC-bestuur niet meer hanteerbaar.

Zodra het aantal studenten van een campus boven de 27.000 dreigt te komen, richt het bestuur een nieuwe campus op. Zo is vlak bij Berkeley destijds de UC San Francisco opgericht.

Als staatsuniversiteit met tien campussen is de UC goed vergelijkbaar met het Nederlandse universitaire bestel.

Wij hebben dertien universiteiten, eveneens gefinancierd door de overheid. Tezamen vormen ze in feite één ‘Universiteit van Nederland’, met dertien campussen. Het advies van de consultants om drie Nederlandse universiteiten samen te voegen tot een moloch met 55.000 studenten is alsof men in Californië drie campussen zou samenvoegen tot één megacampus – iets wat men daar juist nooit zou doen!

Wat maakt dat een aantal van de campussen van de UC in de toptwintig van de wereld staan en geen van de universiteiten van Nederland of van continentaal Europa, met uitzondering van de steenrijke ETH Zürich?

Het grote verschil zit hem, zoals Vincent Icke al betoogde (Opinie, 1 augustus), in de enorme hoeveelheden extra geld die deze universiteiten, behalve hun basisbudget vanuit de staat, binnenhalen van alumni en andere donateurs. Zo heeft de UC Santa Barbara een bureau met enkele honderden medewerkers. Zij bewerken uiterst professioneel de ‘vrienden’ van de universiteit en halen jaarlijks 300 miljoen dollar binnen. Hierdoor kunnen deze universiteiten toponderzoek steunen en topwetenschappers binnenhalen. Dit ‘geven aan je eigen universiteit’ is een onderdeel van de Amerikaanse cultuur. In Europa ontbreekt dit volkomen. Alumnifondsen van Nederlandse universiteiten halen nog geen miljoen per jaar binnen.

Een verder belangrijk punt waarom in Nederland geen speciale topuniversiteit is aan te wijzen, is dat de Nederlandse overheid altijd haar best heeft gedaan alle Nederlandse universiteiten op hetzelfde – hoge – niveau te houden, door bij hoogleraarsbenoemingen te eisen dat de zusterfaculteiten in de andere universiteiten instemmen met een voorgestelde benoeming tot hoogleraar. Dit garandeert dat overal hetzelfde, hoge niveau wordt gehandhaafd.

Zou je in dit homogene landschap één universiteit willen aanwijzen voor extra overheidssteun op weg naar de top, dan zou je als consultant logischerwijs moeten adviseren Utrecht extra te steunen. Deze universiteit staat met haar twee Nobelprijswinnnaars hoger op de Shanghairanglijst dan de andere Nederlandse universiteiten.

Het is volkomen onlogisch om toevallig de drie universiteiten die zich door de consultants lieten adviseren – maar verder niet beter zijn dan de andere – te voorzien van extra overheidsgeld om uit te groeien tot top.

Ed P.J. van den Heuvel is emeritus hoogleraar sterrenkunde aan de Universiteit van Amsterdam.