Denkers deugen niet (tenminste in de politiek)

In zijn kruistocht tegen de ‘gevaarlijke’ ideeën waardoor intellectuelen zich keer op keer hebben laten verleiden, legt Frits Bolkestein dit keer de zweep over de romantici en hun erfgenamen.

BAL 51410 The Intellectuals at the Cafe Rotonde, 1916 Garbari, Tullio (1892-1931) BRIDGEMAN ART LIBRARY, ,
BAL 51410 The Intellectuals at the Cafe Rotonde, 1916 Garbari, Tullio (1892-1931) BRIDGEMAN ART LIBRARY, ,

Frits Bolkestein: De intellectuele verleiding. Gevaarlijke ideeën in de politiek. Prometheus, 320 blz. € 25,-

Intellectuelen moeten hun vijanden dankbaar zijn, want door niemand anders worden ze zo belangrijk gevonden. Een trouwe vijand sinds jaar en dag is voormalig VVD-leider en eurocommissaris Frits Bolkestein. Dat blijkt ook weer uit zijn nieuwe boek De intellectuele verleiding. Gevaarlijke ideeën in de politiek. Bolkestein vat zijn bezwaren nog eens samen en plaatst ze in historisch perspectief. Intellectuelen, gespecialiseerd in ‘abstracte’ ideeën, kunnen zich beter niet met politiek bemoeien, want dat gaat bijna altijd mis. Waarom? Omdat ze niets van de werkelijkheid begrijpen. Aan het belang van ideeën doet dat niet af. Ideeën hebben een ‘onvoorstelbare kracht’, schrijft Bolkestein, maar die wordt blijkbaar zelden ten goede aangewend. Het is voornamelijk rampspoed en ellende wat de klok slaat. Of het nu om de Franse Revolutie gaat, de Eerste Wereldoorlog, fascisme, communisme of multiculturalisme – telkens hebben de intellectuelen het gedaan.

Is er dan geen enkele intellectueel die deugt? Hoewel Bolkestein op dit punt een grote discretie in acht neemt, blijken er toch wel een paar intellectuelen te zijn geweest met een ‘heilzame’ invloed. Dat het voornamelijk gematigde, meer of minder conservatieve liberalen betreft (Mandeville, Adam Smith, Montesquieu, Tocqueville) hoeft niet te verbazen, want zo’n gematigde conservatieve liberaal is Bolkestein zelf ook. Met het gematigde conservatieve liberalisme is niets mis, ik heb er grote sympathie voor en zou willen dat meer mensen dat hadden. Maar of het een geschikt uitgangspunt is om de geschiedenis te begrijpen, betwijfel ik.

Nu gaat het Bolkestein niet allereerst om begrip; dat blijkt al uit de titel en ondertitel van zijn boek. Hij vestigt de aandacht op de ‘gevaarlijke’ ideeën waardoor intellectuelen zich keer op keer hebben laten verleiden. In het verleden kregen bij voorkeur de communistische fellowtravellers ervan langs, in dit nieuwe boek gaat de zweep vooral over de romantici en hun wijdvertakte erfgenamen. Tegen hen verdedigt Bolkestein de moderniteit, door hem getypeerd als ‘het juiste gebruik van de rede, met afgepaste hoeveelheden classicisme en pragmatisme, naast een zo groot mogelijke buitensluiting van ideologie’. Dat is natuurlijk wel een erg ideologische typering, die weinig recht doet aan wat er de facto in de moderne tijd heeft plaatsgevonden. Met minder ideologische vooringenomenheid zou je ook de romantiek en haar nasleep modern moeten noemen, inclusief fascisme en nationaal-socialisme, zoals steeds meer historici tegenwoordig ook doen. De moderniteit laat dan eerder een verdeeldheid zien tussen romantiek en verlichting dan een eenzijdige identificatie met een van deze twee.

In de verlichte pas

Aan Bolkestein is dit niet besteed, maar het is wel een beetje vreemd dat hij zich frequent beroept op Isaiah Berlin, zonder ook maar ergens diens ‘pluralisme’ te noemen. Dat pluralisme erkent volmondig het bestaan van tegenstrijdige, maar even geldige waarden en waarheden, en heeft dus met de moderne verdeeldheid geen probleem. Het heeft Berlin tot een empathische ideeënhistoricus gemaakt, een kenner van denkers als Vico, Hamann en Herder die niet helemaal of zelfs helemaal niet in de verlichte pas lopen.

Bij Bolkestein ontbreekt een dergelijke empathie. De prijs die hij voor dit gemis betaalt is een vrijwel totaal onbegrip voor wat zijn tegenstander drijft. Wanneer hij zich afvraagt waarom men zich steeds weer tegen rationalisme, bourgeoisie en kapitalisme heeft gekeerd, hoewel de zegeningen daarvan toch in het oog springen, komt hij niet veel verder dan psychologische motieven als frustratie, verveling, vervreemding, ressentiment, verlangen naar macht en een bepaald soort frivoliteit, die aan ‘aantrekkelijke’ ideeën de voorkeur geeft boven ‘degelijke en deugdelijke’. Bolkestein doet wel even zijn best om bourgeoisie en kapitalisme van de kant van hun tegenstanders te bezien, maar dat resulteert slechts in een erkenning van de ‘misstanden’ van het vroegste ‘rauwe’ kapitalisme, van de ellende die economische ‘crises’ veroorzaken en van het feit dat je in winstbejag een vorm van ‘egoïsme’ kunt zien. Juist de ideële afkeer van kapitalisme en bourgeoisie (vanwege de exclusieve cultus van het nut en de reductie van elke waarde tot geld) die je bij alle romantici aantreft, ontgaat hem. Voor veel mensen is een leven dat enkel uit materieel welzijn bestaat geen zinvol leven.

Ik neem aan dat Bolkestein best bereid zou zijn om dit toe te geven – het bewijs dat veel mensen inderdaad zo in elkaar zitten levert hij in zijn boek. Hij geeft zelfs toe dat postmoderne filosofen ‘interessante boeken en artikelen’ hebben geschreven, al blijkt daar eerlijk gezegd niets van in zijn typering van hun denken,‘maar ze hadden zich niet met politiek moeten bemoeien’. Dat is de sleutelzin. De politiek dient van alle ‘romantische onzin’ verschoond te blijven. Ziedaar, nogmaals, zijn belangrijkste bezwaar tegen de invloed van intellectuelen op de politiek. Politiek moet kennelijk een zaak blijven van de politici, die dan ook streng van de intellectuelen worden onderscheiden. Churchill en De Gaulle waren volgens Bolkestein geen intellectuelen; hetzelfde zal ongetwijfeld ook voor hem zelf gelden. Maar is het wel verstandig de politiek alleen aan de politici over te laten?

Grote stappen snel thuis

Op dit punt loont het de moeite even naar Bolkesteins interpretatie van de geschiedenis te kijken. Ik zal het niet hebben over feitelijke fouten (Spengler schreef zijn Untergang des Abendlandes niet in 1911) of aanvechtbare interpretaties (Sorels Réflexions sur la violence is niet zozeer een ‘verheerlijking’, als wel een pragmatische herwaardering van het geweld), ook de reprise van de al te simplistische Sonderweg-these (volgens welke er een rechte lijn loopt van de Duitse romantiek naar Hitler) laat ik rusten. Bolkestein redeneert wel vaker volgens het principe Grote Stappen Snel Thuis, onvermijdelijk misschien als je bijna drie eeuwen bestrijkt. Laat ik me beperken tot zijn hoofdstelling: de funeste invloed van de intellectuelen op de politiek.

Een cruciaal moment is dan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Bolkestein legt de nadruk op het achteraf verbijsterende oorlogsenthousiasme, volgens hem de ‘triomf van de Romantiek over de Verlichting’. Vooral de romantische ‘filosofie van de wil’ (Schopenhauer, Nietzsche, Bergson, Sorel) stelt hij aansprakelijk. Bergson krijgt letterlijk de dood van ‘tienduizenden Franse en Duitse soldaten’ in de schoenen geschoven. Alsof hij het was die de oorlog had verklaard. Maar dat hadden toch echt de politici gedaan, in het kader van een imperiale rivaliteit en op basis van het soort realpolitische calculaties, gemotiveerd door politieke en economische belangen, waaraan Bolkestein de voorkeur geeft boven alle intellectuele wanen.

Achteraf zeiden veel intellectuelen: de Eerste Wereldoorlog bezegelt het failliet van de burgerlijke beschaving. Hadden zij gelijk? Nee, in zoverre zij vervolgens het fascisme, nationaal-socialisme of communisme als heilzame alternatieven omarmden – de remedie was erger dan de kwaal. Ja, in zoverre zij de ramp terecht weten aan het falen van de burgerlijke cultuur en haar politiek. In die dagen, het ‘hoogtij van het imperialisme’, blaakte Europa nog van zelfvertrouwen, schrijft Bolkestein, die ook met ‘nostalgie’ terugziet op de Donau- Monarchie. Wat hij niet of onvoldoende beseft is dat juist het imperialisme (met duizend draden verbonden aan liberalisme én kapitalisme) en zijn catastrofale gevolgen het zelfvertrouwen van Europa hebben geknakt. Daarvan ondervinden we nog altijd de gevolgen.

Bolkestein brengt iets van die gevolgen in kaart in de beste hoofdstukken van zijn boek, waar hij uit eigen ondervinding en met kennis van zaken schrijft over de Europese Unie of de ontwikkelingshulp in Afrika. Wat deze, zeer kritische hoofdstukken demonstreren, al dan niet bedoeld, is dat je de politiek beter niet alleen aan de politici kunt overlaten. Kritische, bij de politiek betrokken intellectuelen blijven dus onmisbaar, in weerwil van het feit dat zij zich, net als politici, vaak gruwelijk vergissen.