De honger zonder hulp

Er gaat nu veel hulp naar de Hoorn van Afrika.

Maar de zwaarst getroffen gebieden worden nauwelijks bereikt. Hulp wordt er niet toegestaan.

„Wellicht moeten we leren leven met de realiteit dat we de gemeenschappen die het hardst hulp nodig hebben misschien wel nooit kunnen bereiken.” Dat is de sombere boodschap van Unni Karunakara, de voorzitter van hulporganisatie Médicins sans Frontières over de hongersnood in Somalië. Volgens hem hebben hulporganisaties „een verantwoordelijkheid om het publiek de waarheid te vertellen”.

En die waarheid is dat tien maanden na de eerste waarschuwingen voor hongersnood en twee maanden na het openstellen van giro 555 de mensen in de zwaarst getroffen gebieden in de Hoorn van Afrika nog nauwelijks worden bereikt met voedselhulp. Nederlandse en internationale hulporganisaties komen volop in actie in Kenia en Ethiopië, maar het lukt slechts enkele om de regio’s in Zuid-Somalië te bereiken waar de ondervoeding het meest acuut is.

Volgens de VN hebben ruim twaalf miljoen inwoners van Ethiopië, Kenia, Somalië en Djibouti hulp nodig als gevolg van voedselschaarste. Maar er zijn grote regionale verschillen.

Van deze twaalf miljoen getroffen mensen wonen er 3,7 miljoen in Somalië, en volgens een grove schatting wonen 2,8 miljoen van hen in de zuidelijke regio’s die grotendeels in handen zijn van de extremistische moslimbeweging Al-Shabaab.

In zes van deze acht regio’s heerst officieel hongersnood – een term die de VN reserveren voor situaties waarin dagelijks minstens twee van de tienduizend inwoners sterven van de honger en minstens 30 procent acuut ondervoed is. En in zeker drie regio’s in het zuiden ligt het sterftecijfer ruim twee keer hoger dan die drempel. Grof geschat zijn 450.000 kinderen, eenderde van de kinderen jonger dan vijf, ernstig ondervoed.

Al-Shabaab laat nauwelijks hulp toe tot de gebieden die het beheerst, uit radicale afkeer van alles wat niet streng-islamitisch is en uit angst om zijn greep op de bevolking te verliezen. Inwoners die aan de extremisten kunnen ontkomen strijken veelal neer in Mogadishu (100.000 in de laatste twee maanden), het vluchtelingenkamp Dadaab in Kenia (150.000 sinds januari) of het Ethiopische kamp Dollo Ado (80.000 sinds januari). Het is onbekend hoeveel mensen zijn achtergebleven of gestorven. Volgens de VN zijn er al tienduizenden doden in Somalië.

Het is duidelijk dat maar een klein deel van de hulpbehoevenden die nog in Al-Shabaab-gebied verblijven voedselhulp krijgt. Het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de VN, de grootste voedselverstrekker in noodsituaties, heeft zich al begin 2010 onder druk van Al-Shabaab teruggetrokken uit Zuid-Somalië. Via onderhandelingen heeft het nu slechts toegang tot enkele plaatsen gekregen. Volgens het hoofdkwartier van WFP in Rome „is het moeilijk om te speculeren” of alle mensen die hulp nodig hebben ook zullen worden bereikt.

Unicef heeft wel toestemming voor voedseldistributie in delen van het zuiden, evenals de hulporganisatie Islamic Relief en het Internationale Rode Kruis (ICRC), via de Somalische Halvemaan.

Maar ook zij bereiken maar een deel van de inwoners met voedselhulp: Unicef voedt dagelijks 35.000 kinderen in het zuiden en heeft voedselpakketten en zakken rijst uitgedeeld voor 80.000 mensen. ICRC heeft sinds juni 162.000 hongerenden van voedsel voorzien. Beide organisaties werken aan uitbreiding. Islamic Relief wil 160.000 mensen een half jaar voeden. Honderdduizenden dus, van de paar miljoen mensen in het door Al Shabaab beheerste gebied.

De situatie ter plekke is chaotisch, de rapportages van hulpverleners zijn vaak weinig exact, en sommige hulporganisaties melden om veiligheidsredenen niet wat ze doen. Maar dat de hulp tekortschiet, erkent ook Mark Bowden, coördinator van de VN-hulpoperatie in Somalië. Maandag zei hij: „Zuid-Somalië is het epicentrum van de hongersnood in de Hoorn van Afrika. Het is de bron van de meeste vluchtelingen. We moeten ons heroriënteren.”

Vier van de tien Nederlandse Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) die fondsen werven via giro 555 hebben projecten in Zuid-Somalië: het Rode Kruis, Unicef Nederland, Oxfam Novib en ICCO/Kerk in Actie. De meeste organisaties hebben geen connecties ter plekke.

„Zuid-Somalië is een heel lastig gebied om met lokale partners te werken”, zegt een woordvoerder van Stichting Vluchteling. „Als je de relaties niet hebt, is het moeilijk om in crisistijd nieuwe projecten te beginnen. Er is zó’n groot tekort dat we ons in eerste instantie richten op gebieden waar we al zaten (in Centraal-Somalië, Ethiopië en Dadaab, red.). Daar kunnen we makkelijk veel ondervoede kinderen helpen.”

Een medewerker van de kleine christelijke organisatie Tear legt uit: „In Zuid-Somalië werk je in het donker. In andere gebieden heb je meer controle. Je wilt weten dat je je doel bereikt.” Tear heeft bestaande projecten uitgebreid in Ethiopië en Somaliland. Op die laatste plaats heerst volgens de VN wel droogte maar is geen noodsituatie.

Cordaid is de grootste ontvanger van giro 555 en breidt nu projecten in Kenia en Ethiopië uit. De organisatie probeert wel toegang tot Zuid-Somalië te krijgen.