Chinees inflatiecijfer is geflatteerd

China meldde vandaag dat de consumentenprijzenindex in augustus met 6,2 procent op jaarbasis gestegen. Economen kunnen nu zeggen dat de inflatie heeft gepiekt. Dat zeiden ze vorig jaar ook al, toen de consumentenprijzenindex nog maar half zo snel omhoog ging.

Het probleem is dat de maatstaf waarmee de Chinese inflatie wordt gemeten te wensen overlaat. Het inflatiecijfer schiet al snel omhoog bij enorme prijsstijgingen van bepaalde basisproducten.

Zo is bijvoorbeeld de prijs van varkensvlees in juli met 57 procent op jaarbasis gestegen. De groenteprijs gaat elke week met 5 procent omhoog. De effecten hiervan worden uitvergroot, omdat voedsel ongeveer een derde van de consumentenprijzenindex uitmaakt.

Omgekeerd worden andere prijzen kunstmatig laag gehouden. Zoals die voor energie en transport. Een kaartje voor de metro van Peking kost al drie jaar 2 yuan.

Een ander probleem vormt de enorme omvang van het land. Terwijl stadsbewoners van Shanghai klagen over de prijs van hun café latte, hebben de boeren in het achterland andere zorgen. Misschien zou het beter zijn om één consumentenprijzenindex voor de stad te hebben, en één voor het platteland. De nieuwe, op maat gesneden bankregels voor de relatief arme provincie Xinjiang betekenen dat dit niet zo’n vergezocht idee is.

Het juiste inflatiecijfer vaststellen is niet zo makkelijk. Er valt echter wel iets af te leiden uit het verschil tussen het nominale en het daadwerkelijk gerapporteerde bruto binnenlands product (bbp), de zogenoemde ‘bbp-deflator’. Op grond van die maatstaf was de reële inflatie in 2010 ongeveer twee maal zo hoog als de 3,3 procent van de consumentenprijzenindex. Als dit een leidraad is, zou de huidige inflatie wel eens in de dubbele cijfers kunnen lopen.

Spaarders, die worden ‘beroofd’ door de stijgende prijzen, geven een krachtig signaal af. Zij zijn uitgeweken naar vastgoed en hoogrenderende luxegoederen om de verplichte, karige rente van 3,5 procent op éénjarige deposito’s te ontlopen. Dat zorgt ervoor dat het lastiger is de inflatie te bestrijden, omdat geld dat naar informele kanalen verdwijnt niet wordt beïnvloed door monetaire beleidsinstrumenten als quota’s voor bankkredieten.

Als de Chinese staat de depositorente door de markt zou laten vaststellen, zou er meer geld terugvloeien naar de banken. Maar de angst voor het afbrokkelen van de bankmarges lijkt in de weg te staan aan wat een krachtig instrument tegen inflatie zou kunnen zijn.

En dan zijn er nog de signalen die staatsleiders afgeeft. Premier Wen Jiabao schreef op 1 september in een staatsblad dat de prijsstabiliteit zijn prioriteit is. Hij waarschuwde voor „instabiele” omstandigheden.

Wat de cijfers ook zeggen, als spaarders en politici zich zorgen maken, moeten beleggers dat ook doen.

John Foley

Vertaling Menno Grootveld