Blik soep, heilige graal en het doel van Gretzky

Canada is ijshockey. In de Hockey Hall of Fame in Toronto komen jaarlijks ruim 350.000 bezoekers kijken naar relikwieën uit een grijs en minder grijs verleden. Alles over the rocket en de the great one.

Glunderend gaan John en Brenda O’Neill en hun zoontjes Kyle en Sean op de foto met de Stanley Cup, de enorme zilveren kampioensbeker van de Noord-Amerikaanse ijshockeycompetitie. De heilige graal van de National Hockey League (NHL), met zijn zilveren ringen waarin de namen van voormalige kampioenen zijn gegraveerd, is het pronkstuk van de Hockey Hall of Fame, één van de grootste trekpleisters van de Canadese stad Toronto.

De enorme wisselbeker staat centraal in een statige zaal met eikenhouten vloeren en wanden in een oud bankgebouw in het centrum van de stad, omgeven met panelen met de namen van enkele honderden sterspelers die zijn opgenomen in de Hall of Fame. De beker wordt bewaard in een schatkamer en een negentiende-eeuwse versie van de bokaal kan worden bezichtigd in een grote oude bankkluis. Voor veel Canadezen is de Stanley Cup een van de waardevolste objecten van het land.

„We zijn ijshockeyfans”, zegt O’Neill, die met zijn gezin naar Toronto is gekomen uit de voorstad Oakville voor een bezoek aan het ijshockeymuseum – een dagje vorming en vermaak rond de nationale sport van Canada. „Ik ben opgegroeid met ijshockey, en mijn zoontjes ook. Ze vinden het prachtig de Stanley Cup te zien. Ze de oorsprong van de sport leren kennen. Het zit in ons bloed.”

The Hockey Hall of Fame, ook wel omschreven als de ‘kathedraal van het ijshockey’, is een enorm van een sportmuseum. De Canadese attractie, die zich uitstrekt in een moderne aanbouw bij het bankpand, wordt jaarlijks bezocht door 350.000 tot 375.000 mensen. Canadezen nemen het hockey – serieus, zo merk je bij een rondgang langs de expositie van schaatsen, sticks, pucks, shirts en andere objecten met betrekking tot het ‘snelste spel op ijs’.

Al bij de ingang worden bezoekers begroet door maskers van keepers door de jaren heen. Sommige zouden Hannibal Lecter niet misstaan, zoals het masker van Johnny Bower, doelman van de Toronto Maple Leafs in de jaren zestig. Het ligt in een vitrine met versleten beenbeschermers en een blauwwitte trui van de Leafs, die de Stanley Cup in Bowers jaren vier maal wonnen.

Ook andere sterspelers hebben een eigen vitrine in de centrale hal, zoals de legendarische Maurice the Rocket Richard, aanvoerder van de Montreal Canadiens in de jaren 40 en 50. Een nagebouwde kleedkamer uit hun thuisstadion in Montreal herinnert aan hun decennialange heerschappij. Richard was de ster van de provincie Québec, er werd zelfs tomatensoep in blik naar hem genoemd.

De onbetwiste superster is Wayne Gretzky, bijgenaamd the Great One, de bescheiden Canadese sportman die zich in zijn twintigjarige loopbaan een recordaantal van 894 treffers maakte. Het doel waarmee hij in LA in 1994 het vorige record brak, staat in het museum. Ook zijn enkele sticks Gretzky te zien, en shirts van de teams waarvoor hij uitkwam, waaronder de Edmonton Oilers en de LA Kings, altijd met zijn kenmerkende rugnummer 99.

Gretzky werd direct na zijn afscheid in 1999 toegevoegd aan de Hall of Fame. Normaal kunnen spelers pas vanaf drie jaar na hun afscheid worden voorgedragen voor een ereplaats aan de wand rond de Stanley Cup. Gretzky kwam echter niet alleen voor zijn huldiging naar het museum, ook als bezoeker, met zijn kinderen. Netjes stonden ze in de rij om kaartjes te kopen, maar voor lang, zegt Kelly Masse van de Hall of Fame. „Het is altijd goed om spelers hier te hebben”, zegt zij. „Velen van hen geven ons hun voorwerpen, omdat ze weten dat de fans ze graag willen zien.”

Om kritiek te pareren dat de Hockey Hall of Fame te sterk was geconcentreerd op de NHL, is er ook aandacht voor internationaal en olympisch ijshockey. Een uiteenzetting over de sporthistorie bevat een ouderwetse ‘Nederlandse schaats’, waarop het spel in de negentiende eeuw werd gespeeld. Hoewel spelletjes waarbij een voorwerp werd rondgekaatst op het ijs eeuwen teruggaan, heeft het museum als officiële lezing dat het eerste erkende ijshockeyduel – op schaatsen, met sticks, puck en ijshockeyregels – in 1875 werd gespeeld in Montreal.

Een van de jongste aanwinsten van het museum heeft betrekking op het winnende doelpunt van de jonge sterspeler Sidney Crosby bij de Winterspelen in Vancouver 2010. Zijn golden goal in de verlenging van de ijshockeyfinale tegen de VS bezorgde het gastland de gouden medaille. De stick en de handschoenen van Crosby zijn een nieuwe attractie van het museum, samen met de puck en het doel waarin het doelpunt werd gemaakt.

Kyle en Sean O’Neill zijn ervan onder de indruk. „Dat wilden ze graag zien”, zeggen hun ouders. „Ze zijn grote fans van Crosby.”

Dit is de laatste aflevering van een zomerserie over sportmusea.