'Bin Laden is heel erg jaren negentig '

Na een standaardwerk over Al-Qaeda heeft Jason Burke nu een boek geschreven over de ‘9/11 wars’. Zelfmoordterroristen zijn gewone mensen wier vader in de gevangenis zit, heeft hij vastgesteld. ‘En dat de wereld plat geworden is, is geklets.’

Op het eerste gezicht lijkt Jason Burke de typische oorlogscorrespondent: gebruind, pezig, gejaagd pratend, voortdurend op weg naar ergens anders. Maar de Engelsman die de afgelopen tien jaar op alle slagvelden was te vinden, in Afghanistan en Irak, maar ook in Amsterdam de dag na de moord op Theo van Gogh, beschikt over een groot talent voor reflectie. Eerder schreef hij een standaardwerk over Al-Qaeda. Zijn nieuwste boek, The 9/11 Wars, is een vuistdikke geschiedenis van de lange reeks conflicten die volgden op de aanslagen van Al-Qaeda in september 2001. Het is een even omvangrijke als adembenemende kroniek; voor het eerst krijg je overzicht over aard en betekenis van de ‘oorlogen’ van het afgelopen decennium.

Tijdens ons gesprek ’s ochtends in alle vroegte op een terras in Parijs, waar hij op doorreis is, benadrukt Burke dat hij weliswaar een samenvattende geschiedenis heeft willen schrijven, maar generalisaties heeft vermeden. „Het gaat om verschillende conflicten. Sommigen speelden al lang vóór 2001, andere zijn recent, weer andere laaiden na de aanslagen opnieuw op. We werden geconfronteerd met een lange reeks extreme gebeurtenissen, die vrijwel niemand had verwacht. Wanneer je alles probeert samen te vatten in de mondiale strijd tussen de radicale islam en het Westen, zoals een tijdlang geprobeerd is, loop je al snel tegen het feit op dat de meeste slachtoffers van de radicale islam moslims zijn. Het merendeel van de terroristische aanslagen van de afgelopen jaren was plaatselijk, gepleegd door mensen op hoogstens een half uur afstand van hun woonplaats. De Taliban is een locale beweging.”

Als correspondent deed u verslag vanuit de brandhaarden. Wanneer besloot u terug te kijken?

„Toen ik in 2008 opnieuw Afghanistan bezocht. Aan alles voelde ik dat het voorbij was. Het Westen had zijn kans gehad. Nu werd nog enkel naar een manier gezocht om zonder verdere kleerscheuren te vertrekken. Ik was erbij geweest aan het begin, toen de verwachtingen hoog gespannen waren, nu zag ik hoe het afliep. Hetzelfde zag je in Irak. Ik begon te kijken wat er nu precies was gebeurd. Ik wilde weten waarom het Irakese leger in 2003 ontbonden werd, wat er precies achter de cartooncrisis schuilging. De beslissende periode was 2005- 2006, toen het even leek alsof we in een wereldwijd conflict verwikkeld waren, een ware botsing der beschavingen. Daarna sloeg het om. De dood van Bin Laden, die ik nog in mijn boek heb kunnen verwerken, en de Arabische lente, hebben voor een totaal andere dynamiek gezorgd. Wanneer je nu naar Bin Laden kijkt, is hij heel erg een product van de jaren negentig.”

De revolutie die hem voor ogen stond, is mislukt.

„Bin Laden was zich vanaf het begin bewust dat zijn daden in eigen kring controversieel waren. Door internationale, symbolische doelwitten te kiezen, zocht hij als het ware de grenzen van het terrorisme op. Daarom zocht hij zorgvuldig naar doelen die door zijn aanhang als legitiem beschouwd konden worden. Om zich te onderscheiden van bewegingen als de Moslimbroederschap hield Al Qaeda zich niet bezig met sociaal activisme, men koos voor louter geweld. Dat was meteen ook waar het misging. Zo lang de aanslagen van Al Qaeda veraf plaatsvonden, en vooral als televisiebeeld bestonden, konden ze onder moslims op brede steun rekenen. Maar wanneer de bommen in jouw straat afgaan, jouw politieagenten doden, jouw economie treffen, is dat andere koek. Je zag dat bij de aanslagen op de hotels in Amman in 2005. Daarvóór koesterde tweederde van de bevolking van Jordanië sympathie voor Bin Laden en zijn methodes; daarna zakte dat cijfer meteen naar twaalf procent. Hetzelfde gebeurde in Marokko, Turkije en Indonesië.”

Ook de internationale aanslagen, zoals die in Madrid en Londen, leken een averechts effect te hebben.

„Iedere oorlog heeft zijn symbolen. Bij de Eerste Wereldoorlog zijn dat de loopgraven, bij de Tweede is het de tank, bij de Vietnamoorlog is het de helikopter. In de 11 septemberoorlogen is het wat mij betreft de T-vormige betonnen afwering die je nu overal aantreft, in Kaboel en Bagdad, maar ook in westerse steden rondom ambassades. De zelfmoordterrorist kan een effectief wapen zijn. Hij is in staat ons persoonlijk gevoel van veiligheid af te nemen en ook het geloof dat de overheid haar burgers kan beschermen. We weten dat terroristische organisaties de zelfmoordterrorist zien als een kostbaar bezit dat je niet moet verkwisten, ook al omdat er zoveel tijd en aandacht in gaat zitten. Maar we weten ook dat er binnen die organisaties altijd heftige discussies zijn geweest tegen wie je deze levende bommen in kunt zetten. Zowel Al Qaeda als de ‘filialen’ van die organisatie hebben steeds geprobeerd de boel strategisch in de hand te houden. Dat is niet gelukt. De aanslag op Bali kon tegenover de achterban nog enigszins gerechtvaardigd worden, het ging immers om een verderfelijke nachtclub waartoe de plaatselijke bevolking geen toegang had. In het geval van de aanslagen in Madrid en Londen was dat veel moeilijker. In Madrid ging het niet alleen om onschuldige forenzen, de daders pleegden hun aanslag ook nog eens op afstand. Dat was niet te verkopen.”

Je kunt je ook afvragen wat uiteindelijk met die terreur werd beoogd. In veel gevallen leek het meer om zelfmoord te gaan dan om het effect ervan.

„In de jaren dat het islamitische terrorisme succes had, werkte het als een magneet voor vrijwilligers en geldstromen van sympathisanten, vooral tegen een achtergrond van wijdverbreide sociale onvrede en oplevend religieus fanatisme. Maar toen de omslag plaats vond en de terroristen ineens niet meer als vrijheidsstrijders werden gezien maar als ordinaire moordenaars, zag je de boel snel versplinteren en verward raken. In dat opzicht waren de aanslagen van 11 september ook meteen het hoogtepunt voor Bin Laden. Daarna ging het bergafwaarts.’’

Toch blijft voor veel westerlingen het islamitisch radicalisme behalve een bedreiging ook een raadsel. Wat beweegt de zelfmoordterrorist?

„In 2004 verklaarde het hoofd van de Britse geheime dienst waarschuwend dat deze terroristen doen voorkomen alsof ze gewone burgers zijn. Maar als ik iets heb geleerd, is het dat het gewone burgers zijn. Men ging er vanuit dat er zoiets als het terroristische type bestond, dat je moest proberen eruit te pikken. Zo werkt het niet. Het gaat er niet zozeer om wie een potentiële terrorist is, maar om hoe iemand het kan worden. Meestal omdat men in aanraking komt met radicale elementen, omdat je vader een militant was, of je broer. Dat is vaak een alledaags sociaal proces. Blijft de vraag waarom – die laat ik graag aan de filosofen over.’’

Waarom? U heeft zoveel radicale jonge moslims gesproken. Wat beweegt hen? Volgens velen is religie de X-factor.

„Jonge mannen zijn overal een probleem, kijk maar naar de rellen in Engeland van afgelopen zomer. Het geloof geeft hun zeker een taal en een structuur, die gebruikt kan worden bij het ontwikkelen van subversieve activiteiten. Maar hoewel geweld en terreur niet te rechtvaardigen zijn, zie ik ze vooral als een sociale activiteit zoals er zoveel zijn. Het onderscheid tussen jonge mannen die bergbeklimmer worden, drugsverslaafde of vrouwenversierder of radicaal gelovige is minder groot dan we zouden willen. Het hangt vaak van omstandigheden af, door wat voor mensen je omringd bent. Religie speelt een rol, maar leeftijd ook. Zien radicale moslims hun geloof als een diepe spirituele verbondenheid met het hogere? Nee toch? Het gaat veel meer om het verlangen bij een groep te horen. Hun religieuze kennis is meestal rudimentair. Wanneer je een jonge radicale Pakistaan spreekt, stuit je op een eigenaardige mengeling van linkse politieke ideeën en een fanatieke geloofsopvatting, gelardeerd met antiautoritaire neigingen en, paradoxaal genoeg, met een groot verlangen naar zekerheden. Dat alles kun je niet domweg onder de geriefelijke noemer geloof brengen.”

De oorlogen van 11 september zijn door het Westen niet verloren, schrijft u, maar ook niet gewonnen. Ook de westerse ‘beschavingsmissies’ in Afghanistan en Irak zijn stukgelopen. In dat opzicht spiegelen ze de hoogmoedige aspiraties van Al Qaeda, dat een wereldwijde revolutie wilde veroorzaken.

„De les die we kunnen leren is dat in deze oorlogen op ieder niveau het mondiale het tegen het locale heeft afgelegd. Lange tijd dachten we dat het precies andersom was. Al dat geklets over de wereld die ‘plat’ geworden zou zijn. Ik heb met een zelfmoordterrorist gesproken die zich bedacht toen hij onder zijn slachtoffers mensen het dialect van zijn streek hoorde spreken. Al Qaeda was net zozeer het product van mondialisering, de organisatie had slechts minachting voor locale omstandigheden en tradities. De meeste mensen trekken niet ten strijde voor het geloof of de revolutie, maar omdat hun vader in de gevangenis zit.’’

Jason Burke: The 9/11 Wars. Allen Lane, 709 blz. € 24,50