Beter dan dat speldje isde subtiele speldeprik

Hij zou Chinese dissidenten in de kou laten, omdat hij geen Amnesty-speldje droeg.

Ik steun die schrijvers liever in de luwte, reageert Adriaan van Dis.

Vijfentwintig jaar geleden ontmoette ik in Peking een groepje kunstenaars bij een door de Zweedse ambassade georganiseerde Chinese première van Strindbergs Miss Juliet. Onder hen bevond zich de dichter Ma Gaoming, die eerder te gast was op het Rotterdamse Poetry International. Hij was zo enthousiast over zijn bezoek aan ons land dat hij op eigen initiatief een aantal Nederlandse dichters in het Chinees was gaan vertalen, onder anderen Campert, Kouwenaar, Lucebert en Hanlo.

Ma Gaoming besprong mij als wandelend woordenboek. En als portemonnee. Wist ik misschien aan geld te komen om zijn vertalingen uit te geven? De Nederlandse ambassade deed toen niet aan cultuur, die accommodeerde liever baggeraars. Nog diezelfde avond belde ik de toenmalige hoofdredacteur van weekblad Elsevier, André Spoor, voor wie ik op reportage was, en ook hem leek ‘Oote oote boe’ in het Chinees een prima plan. Vijfduizend gulden zou de onderneming kosten, oplage tienduizend. Het geld werd naar Ma Gaoming overgemaakt, in ruil voor een artikel van mijn hand. Nobele daad, waar ik graag in kleine kring over mag opscheppen. Maar nu ik als vijand van het vrije woord en voorstander van een strak geleid China word afgeschilderd, gebruik ik het als argument dat stille acties in dictaturen beslist hun nut kunnen hebben. Ma Gaomings bloemlezing beleefde vier drukken.

De andere schrijvers die ik op de Zweedse avond ontmoette, hunkerden naar literatuur uit het Westen. Ze fluisterden de namen van Franse en Engelse auteurs die ze hadden gelezen. Ze fluisterden over censuur, over de hel waarin veel schrijvers moesten leven. Een uitnodiging om samen nog wat te drinken, wezen ze van de hand. Te gevaarlijk. De première van Miss Juliet bezoeken, samen met honderden studenten, was al riskant genoeg.

Vorige week verkeerde ik weer onder Chinese schrijvers. Niet één fluisterde. Toch waren ook deze schrijvers niet vrij. Censors lazen over hun schouders mee, na al te veel kritiek stond de politie voor de deur en de meesten hadden kennisgemaakt met het fenomeen huisarrest. Dat nam niet weg dat ze op de in Peking optredende Nederlandse kunstenaars, schrijvers en geleerden afkwamen. Daarbij namen niet wij, maar zij een risico. Er vonden ook ontmoetingen in de luwte plaats, weg van podium en journalisten. Soms georganiseerd door het Letterenfonds, soms door eigen wetenschappelijke contacten en door Chinese redacteuren.

Op die bijeenkomsten hoorde ik hoe censuur werd omzeild, hoe je dankzij hackers toch naar het verboden YouTube kon kijken. De creativiteit spatte ervan af. En we lachten om de domme en dwaze censuurmaatregelen. Deze schrijvers liepen gevaar, het was niet de bedoeling dat wij met hun namen en kritiek naar buiten traden. Daarom droeg ik ook geen Amnestyparafernalia. (Draag uw spelden, laat u gelden!) Niet uit angst, maar omdat mijn ostentatieve protest hen dan in verlegenheid zou brengen. Bovendien krijg je in China zo minder voor elkaar. Beleefdheid is een beter wapen, een buiging, en daarna een duwtje en een speldenprik. Zo is er de laatste vijfentwintig jaar al heel wat terrein gewonnen. Door de Chinezen zelf, welteverstaan. De vrijheid is zichtbaar groter geworden. Galeries, film en de enorme boekhandels getuigen ervan. Vijfentwintig jaar geleden etaleerde de gemiddelde Chinese boekhandel alleen het werk van Mao en Marx. Vijfentwintig jaar geleden zag je ook grauwe armoe in Peking en honger. Er reden open vrachtwagens door de stad met op de laadbak geboeide dissidenten – als afschrikwekkend voorbeeld. Langzaam maar zeker is dat beeld totaal veranderd. De staat verliet de communistische handelsdogma’s en propageert nu een staatskapitalisme.

Groeipercentages lijken daarbij belangrijker dan milieu of menselijk geluk. Als individu heb je in China nog steeds niet veel in te brengen. Toch gaat het de mensen zichtbaar beter. De vrijheid woelt. (Al is de onderdrukking nog lang niet voorbij.)

Over deze ervaringen sprak ik met een journalist van NRC Handelsblad. Tijdens dat informele gesprek zei ik dat je anderhalf miljard mensen niet met zachte hand uit armoe en achterlijkheid kunt verheffen. Al lijkt het er misschien op als je het uit zijn context gelichte citaat leest dat een gigantisch land als China „alleen maar krachtig geleid kan worden”, ik ben geen ijzervreter die democratie geklets vindt. Het is ook geen koloniale reflex, het is de constatering van een realiteit.

Het is mooi dat Nederland zich druk maakt over de vrijheid van meningsuiting in China, maar nu deze supermacht een middenklasse heeft gecreëerd die het materieel steeds beter krijgt, laat de drang naar vrijheid zich niet langer beteugelen. Daar hebben de Chinezen geen Nederlandse schrijvers voor nodig. Maar misschien helpt een duwtje.

Adriaan van Dis is schrijver.