'Arabische landen eisen te veel van de staat'

De landen van de Arabische Lente moeten dringend hun private sector ontwikkelen. De publieke sector uitbreiden zou het verkeerde antwoord op de werkloosheid zijn, zegt EBRD-voorzitter Mirow.

A street trader scoops a measure of locally grown rice at a market in Cairo, Egypt, on Sunday, April 13, 2008. Rice jumped to a record as World Bank officials said they are concerned pressure is growing in Thailand, the world's largest exporter, to restrict shipments, worsening a global food crisis. Photographer: Dana Smillie/Bloomberg News.
A street trader scoops a measure of locally grown rice at a market in Cairo, Egypt, on Sunday, April 13, 2008. Rice jumped to a record as World Bank officials said they are concerned pressure is growing in Thailand, the world's largest exporter, to restrict shipments, worsening a global food crisis. Photographer: Dana Smillie/Bloomberg News. BLOOMBERG NEWS

Dat de landen van het voormalige Oostblok en de Arabische wereld moeilijk te vergelijken zijn, dat heeft Thomas Mirow zelf ook door. Toch denkt hij dat de ontwikkelingsbank waar hij voorzitter van is de kennis van twintig jaar investeren in Oost-Europa kan overdragen aan het Midden-Oosten. Al is daar wel „een cultuurverandering” voor nodig binnen de bank.

De European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) werd in 1991 opgericht om de voormalige communistische staten in Europa te helpen met het opbouwen van een vrije-markteconomie. Nu gaat de bank zich, op verzoek van de G8, toeleggen op Arabische landen die ‘in transitie’ zijn. In mei zegden de G8, samen met IMF, Wereldbank en enkele Golfstaten 40 miljard dollar toe voor economische hervormingen in Tunesië, Egypte en andere Arabische landen die in opstand waren gekomen tegen hun leiders. Vandaag en morgen besluiten de G7 in Marseille welke landen precies in aanmerking komen.

De EBRD denkt 2,5 miljard euro per jaar in de regio te kunnen investeren, een stap waarvoor de bank instemming nodig heeft van alle aandeelhouders. Mirow was deze week in Den Haag om te lobbyen voor de steun van Nederland, dat 2,48 procent van de aandelen bezit.

Om welke landen gaat het?

„Het ziet er naar uit dat het Tunesië, Egypte, Marokko en Jordanië worden. De eerste twee omdat daar een revolutie heeft plaatsgevonden. Marokko en Jordanië omdat zij ook een transitie doormaken, al is die juist top-down. Daar veranderen traditionele Arabische monarchieën in de richting van constitutionele monarchieën. De internationale gemeenschap ziet deze landen als modellen voor de regio.”

Wat voor hervormingen zijn er nodig?

„Al deze landen hebben een gebrek aan concurrerende midden- en kleinbedrijven met echte know-how. Ook zijn de private banken er relatief zwak. Er is heel veel te verbeteren aan de dienstverlening en openbare voorzieningen in de steden, aan de landbouw en aan de efficiëntie van het energieverbruik. De steden moeten aantrekkelijker worden voor private investeringen.”

Welke lessen uit Oost-Europa kan de bank toepassen in het Midden-Oosten?

„De algemene ervaring in Oost-Europa was dat privatiseringen en het stimuleren van investeringen belangrijk zijn, maar dat een markt alleen kan functioneren als er degelijke instituties en toezichthouders zijn. Als er een betrouwbaar rechtssysteem is en echte druk om corruptie en fraude te bestrijden. Hierover voeren we gesprekken met de nieuwe machthebbers.”

De bank stelt als voorwaarde dat een nieuwe regering ook politieke hervormingen doorvoert. In Egypte zijn nu dezelfde generaals aan de macht die Mubarak in het zadel hielden.

„De militaire leiders hebben gezegd dat ze de weg willen bereiden voor vrije en eerlijke verkiezingen en dat ze daarna terugkeren naar hun kazernes. We verwachten nadrukkelijk van hen dat ze dit ook doen.”

Is dat genoeg voor u? Er is nog altijd geweld tegen demonstranten.

„Verkiezingen zijn een voorwaarde voor democratisering. We moeten oppassen dat we onze principes niet verkwanselen. Maar tegelijk mogen we niet vanaf de eerste dag een perfecte democratie verwachten. Het gaat erom dat landen tastbare vooruitgang boeken.”

De jeugdwerkloosheid wordt als het meest urgente probleem gezien. Kan de EBRD hier iets aan doen voordat de onvrede weer uit de hand loopt?

„Hier is geen snelle oplossing voor. In de regio willen velen dat de werkgelegenheid in de publieke sector snel wordt uitgebreid, maar dat zou het verkeerde antwoord zijn. Het zou te duur zijn en onvoldoende bijdragen. Het opbouwen van een private sector duurt langer, dus we moeten snel handelen en tegelijkertijd de verwachtingen zien te temperen.”

Wat maakt deze landen de moeite waard voor investeerders?

„De demografie. Ze hebben een jonge bevolking waardoor bedrijven op langdurige groei kunnen rekenen. Het deel van de bevolking dat een goede opleiding heeft gehad, is niet klein. De landen liggen dicht bij de Europese markten en kunnen tegelijk een springplank zijn naar andere delen van Afrika, waar de economie in veel landen groeit.”

Wat moet de bank anders doen dan in Oost-Europa?

„Er zijn grote cultuurverschillen. In de Arabische landen gaat het niet om een opstand tegen het communisme en een hegemoniale supermacht. Veel mensen in die landen denken nu juist dat de staat alle antwoorden heeft. Terwijl alleen de private sector echt kan zorgen voor werkgelegenheid, en waarde en concurrentiekracht kan creëren.”