Absurdum

Een van de boeiendste teksten uit de Oudheid is de Natuurlijke Historie van Plinius de Oudere, een Romeinse bestuurder wiens nieuwsgierigheid slechts werd geëvenaard door zijn leeshonger. Geen boek was zo slecht, vond hij, of er stond wel iets goeds in. De Natuurlijke Historie is een samenvatting van zijn lectuur en biedt een prachtig overzicht van alle antieke kennis. Helaas is die soms ronduit bizar.

Plinius is niet uniek. Alle antieke auteurs bieden een curieus mengsel van ware en onware verhalen. Men had destijds de middelen immers niet om informatie te controleren. Er is dus niets mysterieus aan.

Monaldi en Sorti vinden het wél raadselachtig en opperen in hun roman Mysterium… ja, wat opperen ze eigenlijk? Het wordt niet helemaal duidelijk in de appendix ‘De verzonnen tijd’. Ze hebben het over vervalste antieke bronnen, suggereren dat de geschiedenis van vele eeuwen is verzonnen, maar noemen die theorie ook weer ‘gewaagd’. Ze noemen mogelijke daders, maar eenduidig is het niet.

Typerend voor het warrige stuk is dat Monaldi en Sorti ergens de mogelijkheid dat teksten worden vervalst, bewezen achten met een voorbeeld dat ze nog moeten geven. Slordig. Zeven bladzijden later blijkt het te gaan om gesjoemel met paleontologische vondsten. Onzorgvuldig. Ze melden ook dat de frauderende paleontoloog beendermateriaal had bezeten dat eerder door nazi’s was gebruikt, maar leggen niet uit wat dat zegt over tekstvervalsingen. Insinuerend.

Wat wel duidelijk wordt, is dat de auteurs inspiratie ontlenen aan het pyrronisme, de zeventiende-eeuwse twijfel aan de mogelijkheid tot historische kennis. Tot de argumenten die ze in Mysterium overnemen, behoort dat onze kennis van de oude teksten is gebaseerd op middeleeuwse handschriften vol kopiistenfouten. Classici moeten eerst vaststellen wat de oorspronkelijke tekst is geweest en baseren zich dus niet op authentieke teksten, maar op reconstructies. Een ander pyrronistisch argument is het bestaan van vervalsingen.

Dat dwong historici na te denken over hun bezigheden. Zo ontstond de oorkondenleer, het echtheidsonderzoek van manuscripten. Monaldi en Sorti presenteren enkele negatieve resultaten en suggereren dat alle antieke bronnen vervalst zijn, of heel veel, of toch minstens ‘twee derde’. Dat de meeste afschriften van antieke bronnen aan de gewone authenticiteitscriteria voldoen, blijft onvermeld.

Ze concentreren zich op de chronologie van de wereldgeschiedenis, die rond 1600 door de Leidse oudheidkundige Scaliger is gereconstrueerd, of, volgens Monaldi en Sorti, verzonnen. Het is waar, Scaliger baseerde zich op vrij jonge handschriften. Het is ook waar dat hij vergissingen maakte. De schrijvers meten die breed uit, en wijzen er bovendien op dat Scaliger niet zijn oorspronkelijke naam gebruikte (in een tijd waarin familienamen niet vastlagen).

Hoewel Scaligers werk inderdaad bijstelling behoefde, is hij een van de helden uit de wetenschapsgeschiedenis. Hij bestudeerde de chronologie zuiver omdat hij de volgorde van de gebeurtenissen wilde kennen, zonder in te gaan op de destijds gangbare getalsspeculaties over de wederkomst van Christus. Scaliger toonde verder aan dat de bijbelse chronologie kwestieus was en legde daarmee de grondslag van wat Rens Bod in De vergeten wetenschappen ‘de secularisering van het wereldbeeld’ heeft genoemd. Zonder oudheidkundigen als Scaliger geen Verlichting. Toch spreken Monaldi en Sorti van ‘de ramp Scaliger’.

De pyrronistische kritiek is al in de 18de eeuw weerlegd. De informatie uit de geschreven bronnen bleek bevestigd door andere gegevens, zoals tienduizenden inscripties. Monaldi en Sorti melden wel dat ook inschriften zijn vervalst, maar niet dat de overgrote meerderheid authentiek is. Er zijn miljoenen antieke munten, die met geen mogelijkheid in de Middeleeuwen (of later? de schrijvers zijn karakteristiek onduidelijk) kunnen zijn verspreid over een gebied van Ierland tot India.

De 19de eeuw zag het definitieve bewijs dat de op jonge handschriften gebaseerde reconstructie van de oude teksten, en de daarop gebaseerde gereconstrueerde chronologie, accuraat zijn. Er zijn namelijk tienduizenden papyri ontdekt. De teksten daarop corresponderen met de teksten zoals generaties classici die hebben gereconstrueerd (hoewel Monaldi en Sorti beweren dat de papyri ‘maar weinig woorden, of maar een paar letters’ bevatten).

Dat ze de honderdduizenden kleitabletten onvermeld laten, was te verwachten. Ze zijn namelijk gedateerd aan de hand van een astronomische kalender en bieden een exacte chronologie. Alexander de Grote stierf op 11 juni 323 v. Chr., Xerxes werd vermoord tussen 4 en 8 augustus 465 en Cyrus veroverde Babylon op 29 oktober 539. Deze kalender ligt ten grondslag aan de ‘canon’ van Ptolemaios, de ruggengraat van de Grieks-Romeinse chronologie, die dus betrouwbaar is.

In de 20ste eeuw ontstonden de jaarringmethode en de C14-methode. Zoals alle wetenschappelijke technieken zijn deze niet geheel zonder problemen, maar de resultaten zijn overtuigend. Eén voorbeeld is de Romeinse annexatie van de Lippevallei, die de antieke historicus Cassius Dio vermeldt in een jaar dat overeenkomt met 11 v. Chr. Toen het winterkamp werd opgegraven bij Oberaden, bleek het hout gekapt in de herfst van dat jaar.

Steeds weer benutten Monaldi en Sorti complicaties om te insinueren dat er iets loos is. Die complicaties zijn makkelijk te vinden, want wetenschappers zoeken zowel argumenten voor als tegen hun ideeën. Die evalueren ze, en uiteindelijk bereiken ze dan een conclusie. Het betekent dat ze zelf de informatie aanleveren die, wanneer Monaldi en Sorti maar één kant van het verhaal presenteren, suggereert dat er complicaties zijn.

Hun tweede redenatiefout is de aantijging. De oudheidkunde krijgt bijvoorbeeld het verwijt dat de universiteiten in Duitsland niet zijn gedenazificeerd. Dat is net zo min ter zake als dat Scaliger een artiestennaam aannam.

De derde fout is verwarring. Dat sommige teksten zijn vervalst, wil niet zeggen dat alle teksten onecht zijn. Onechte oorkonden zeggen niets over de vervalsing van literaire teksten, zoals nepfossielen niet bewijzen dat teksten zijn vervalst. Dat moderne dateringsmethoden problemen kennen, houdt niet in dat alle resultaten ondeugdelijk zijn. Enzovoort.

Is er dan werkelijk niets goeds te zeggen van ‘De verzonnen tijd’? Natuurlijk wel. Geen boek is zo slecht of er valt iets goeds mee te doen. Mysterium is ideaal om scholieren te tonen wat drogredeneringen zijn.