Zijlstra's prioriteiten liggen niet bij het hoger onderwijs

Staatssecretaris Zijlstra ziet een schitterende toekomst voor de universiteit, met docenten die tijd hebben voor hun studenten. Waarom niet eerlijk zeggen dat dat niet zo is, stelt Floor Rusman.

Het academisch jaar is begonnen. Volgens demonstranten tegen de onderwijsbezuinigingen gaan studenten een afschuwelijke tijd tegemoet. Ze moeten hard werken en hebben geen tijd voor verbreding en voor een studentenleven.

Staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) voorspelt daarentegen een schitterende toekomst voor de universiteit. Zijn Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap, die het midden houdt tussen een visioen en een beleidsvoorstel, staat vol met termen als ‘excellent’, ‘top’ en ‘wereldklasse’. In welke wereld komen nieuwe studenten terecht – in die van de demonstranten of in die van Zijlstra?

De demonstranten ageren tegen maatregelen die studenten financieel raken – het afschaffen van de studiefinanciering in de master en het instellen van een langstudeerdersboete. Ze nemen aan dat studenten geen ruimte hebben voor ontplooiing naast de studie en dat bij de studententijd meer hoort dan studeren alleen.

Afgezien van de problemen voor deeltijdstudenten en voor ambitieuze mensen die twee studies willen doen, geloof ik niet dat nieuwe studenten groot onrecht wordt aangedaan. Ze mogen van Zijlstra één jaar uitlopen in hun bachelor en één jaar in de master. Nieuwe studenten kunnen dus zes jaar over hun studie doen en nog een jaar langer als ze een tweejarige master volgen. Een baantje hebben, lid zijn van een studentenvereniging en nachten doorhalen in cafés horen dan nog steeds tot de mogelijkheden.

De vraag is of studenten in ruil voor de (kans op) hogere kosten ook beter onderwijs krijgen, zoals Zijlstra belooft. De staatssecretaris beoogt een „kwaliteitsslag over de volle breedte”. In het arbitrair gekozen jaar 2025 is de universiteit volgens hem een academisch walhalla. „De kwaliteit van het onderwijs aan hogescholen en universiteiten in 2025 is verbeterd. Ook de docenten zijn beter, zowel inhoudelijk als qua didactische vaardigheden. Het onderwijs is bovendien intensiever: er zijn meer contacturen en er is een betere verhouding tussen het aantal studenten en docenten.”

Dit is een fantastisch resultaat. Het maakt nieuwsgierig naar de stappen die Zijlstra zet om al over veertien jaar zo ver te zijn en naar de wijze waarop dit hoogwaardige, intensieve en persoonlijke onderwijs zal worden betaald.

Mijn ervaring, en die van veel mijn studiegenoten, is dat de kwaliteit van het universitaire onderwijs lijdt onder het tijdgebrek van de mensen die dit onderwijs moeten geven. Docenten zijn zo druk met het binnenhalen van onderzoeksgeld en het publiceren in internationale tijdschriften – zaken waarop ze worden afgerekend – dat het geven van ‘excellent onderwijs’ en het begeleiden van scripties op de derde plaats komen.

Te veel docenten geven weinig geïnspireerd les, vernieuwen hun lesmateriaal niet, stellen lage eisen en geven nauwelijks feedback. Het overbrengen van enthousiasme over de wetenschappelijke praktijk is een zeldzaamheid. Werkgroepen bestaan voor de helft uit presentaties die studenten zelf moeten verzorgen. De docenten van wie ik wél inspirerend onderwijs kreeg, zeggen desgevraagd dat dit ernstig ten koste gaat van onderzoekstijd of vrije tijd. Dit kan ook niet anders. Het aantal studenten is de afgelopen decennia relatief veel sterker gestegen dan het aantal docenten.

Voor het structureel verhogen van de onderwijskwaliteit zijn meer docenten nodig. Op papier lijkt Zijlstra het daarmee eens te zijn. De verhouding tussen docenten en studenten moet „beter”. Het aantal contacturen moet omhoog. Bovendien moet het inhoudelijke en didactische niveau van docenten verbeteren.

Dit zijn terechte, maar lege eisen. Zijlstra investeert helemaal geen extra geld in het onderwijs. Voor de financiering van zijn onderwijsparadijs stelt hij jaarlijks 230 miljoen euro beschikbaar. Dit is het bedrag dat wordt bespaard door de langstudeerdersboete in te voeren en door de studiefinanciering in de master af te schaffen. Van dit bedrag moeten alle extra docenten, lokalen, didactische-vaardighedencursussen en andere voorgestelde hervormingen worden betaald. Dit is een onhaalbaar plan.

De commissie-Veerman heeft ruim een jaar geleden in een onderwijsrapport meer investeringen in het hoger onderwijs bepleit. Volgens de commissie raakt Nederland steeds verder achterop ten opzichte van de koplopers. Zeker de landen in de topvijf van de Global Competitiveness Index – waartoe het kabinet zegt te willen behoren – hebben veel hogere uitgaven per student. „Zonder extra (financiële) middelen zullen de ambities niet gerealiseerd kunnen worden”, waarschuwt de commissie. Zijlstra neemt de ambities over zonder het benodigde geld beschikbaar te stellen.

Niet investeren ‘omdat er nu eenmaal moet worden bezuinigd’ is een politieke keuze. Als Zijlstra eerlijk was geweest, had hij gezegd: „Jullie moeten meer betalen. Daarvoor krijgen jullie voorlopig geen beter onderwijs terug. Sorry, onze prioriteiten liggen ergens anders.”

In plaats daarvan doet Zijlstra alsof hij de universiteiten voor 230 miljoen euro kan omtoveren tot studiepaleizen van wereldklasse. Hierover zouden studenten verontwaardigd moeten zijn – meer dan over mogelijke boetes en ingrepen in de studiefinanciering.

Floor Rusman is studente politieke ideeëngeschiedenis.