Stephan Heber (34), cellist: 'Het is niet duidelijk hoe lang mijn droom duurt'

Stephan
Stephan

„Ik speel cello vanaf mijn zevende. Volgens mijn leraar had ik het in me om professioneel musicus te worden, maar dat was voor mij nooit een optie, mede omdat mijn ouders zeiden dat het een onzeker bestaan is en dat ik zoveel andere dingen kon doen. Bovendien zou ik gestructureerd moeten studeren, minstens drie uur per dag, en dat deed ik niet. Ik hield van voetbal en later, op de middelbare school, vond ik meisjes ook interessant.

Uiteindelijk schreef ik me in voor een lerarenopleiding Frans, aan een universiteit in Hamburg. Maar het enige wat ik daar deed, was cello studeren. Toen besloot ik de muziek een kans te geven, ik wilde het in ieder geval geprobeerd hebben.

Mijn eerste auditie was op het conservatorium in Amsterdam. Het was mijn eerste bezoek aan Nederland en Amsterdam trok me meteen. Ik werd aangenomen. Het begin was moeilijk: ik had een strenge docent die vond dat ik niet hard genoeg werkte en ik voelde de druk om te presteren. Toen ik van docent wisselde ging het beter: zij gaf me meer zelfvertrouwen. Op mijn zevenentwintigste studeerde ik af en vanaf dat moment rolde ik van het een in het ander. Ik deed auditie bij Orkest van het Oosten in Enschede en werd aangenomen. Het is een halve baan, de rest van de tijd speel ik bij Cello Octet Amsterdam, kamermuziek met acht cellisten.

Die combinatie is ideaal: ik kan er van leven en het is afwisselend. Het is alleen niet duidelijk hoe lang mijn droom nog duurt: nog een seizoen en dan wordt het Orkest van het Oosten voor de helft gekort. Erger dan het feit dat we minder geld krijgen vind ik de minachtende manier waarop er tegenwoordig over kunstenaars gepraat wordt. Terwijl we hard werken, voor weinig geld en veel onzekerheid, om mensen gelukkig te maken met iets moois.”