Soms is kanker snel genezen

Kanker komt steeds meer voor, maar de kans om eraan te sterven daalt licht. Dat blijkt uit het rapport ‘Kanker in Nederland tot 2020’ van KWF Kankerbestrijding.

Over tien jaar sterft een recordaantal van 50.000 mensen aan kanker. Het staat in een vandaag uitgekomen wetenschappelijk trendrapport, een uitgave van collectebusfonds KWF Kankerbestrijding. Het zijn bijna 8.000 doden meer dan nu. De stijging gaat naar verwachting door tot 2040. Dan gaan er in Nederland bijna 70.000 mensen dood aan kanker.

Toch is de afgelopen twintig jaar bij meer dan de helft van ruim twintig meestvoorkomende kankers flinke vooruitgang geboekt. De sterfte nam af en er kwamen minder patiënten bij. Of de overleving nam toe, in combinatie met een afname van de kans om aan die kanker te sterven. Dat schrijven onderzoekers waarvan enkele ook aan het trendrapport meewerkten, in een gisteren uitgekomen publicatie in het International Journal of Cancer. Ze ontwikkelden een nieuwe, neutrale manier om ‘vooruitgang’ en ‘achteruitgang’ in de kankerbehandeling te meten. Achteruitgang is er ook: meer melanoom, meer slokdarmkanker en meer longkanker bij vrouwen.

Meer sterfte, veel vooruitgang en dan is er nog een geldinzamelingsacties voor kankeronderzoek en -zorg als de fietstocht Alpe d’HuZes die miljoenen ophaalt onder de leus ‘over tien jaar moet kanker een chronische ziekte zijn’.

Het lijken tegenstrijdige boodschappen: chronische ziekte, grote vooruitgang geboekt, maar meer doden. Kankerstatistiek is ingewikkeld.

„Sommige vormen van kanker zijn helaas nog steeds dodelijk.” schrijft kankerepidemioloog Bart Kiemeney in het voorwoord van het vanmiddag gepubliceerde rapport. „Andere zijn goed behandelbaar en inmiddels omgevormd in een chronische of zelfs kortdurende acute ziekte.” Kiemeney is voorzitter van de werkgroep die het 280 pagina’s dikke rapport opstelde.

Kiemeney geeft een voorbeeld van kanker als kortdurende acute ziekte: een jonge man die teelbalkanker „in een laag stadium” heeft. De chirurg haalt één bal weg, de man komt nog een jaar terug voor nacontrole en het is voorbij. Kiemeney: „Hoewel zo’n diagnose een enorme impact heeft is zo iemand in feite snel genezen. Die man kan de ziekte achter zich laten. Daarnaast heb je mannen met teelbalkanker in het slechtste stadium. Die worden doorgaans ook geopereerd, maar krijgen zeker ook chemotherapie. Ze hebben een goede kans om van hun kanker bevrijd te zijn, maar ze blijven onder controle. Niet alleen om te kijken of de kanker terugkomt, maar ook om de eventuele gevolgen van chemotherapie snel op te merken: hart- en vaatziekten bijvoorbeeld, of een tweede tumor, veroorzaakt door de chemo.” Dat is kanker als chronische ziekte.

Kanker als dodelijke ziekte is er ook nog steeds. Sla in het rapport het hoofdstuk met tekst en grafieken over longkanker op en lees dat meer dan de helft van de patiënten binnen een jaar na de diagnose dood is. Toch is er hoop omdat minder mensen longkankerpatiënt worden. Nederlandse mannen gingen vanaf 1958 minder roken en krijgen nu minder longkanker. Bij vrouwen is het tij nog niet gekeerd. Zij gingen later roken en het aantal rooksters kende een hoogtepunt in 1970.

Kankerepidemioloog prof.dr. Jan Willem Coebergh, al jaar en dag betrokken bij de langstlopende Nederlandse kankerregistratie en bij het opstellen van trendrapporten: „Een patiënt die de diagnose kanker ‘krijgt’ raakt doorgaans in een schoktoestand: ‘Ik heb kanker, ik ga dood.’ Maar voor steeds meer mensen geldt: je hebt het wel, maar je hoeft echt niet meteen de begrafenisondernemer te bellen. De kans dat er iets kleins is gevonden is steeds groter. Of bij het publiek het beeld al gekanteld is van dodelijke naar chronische, of naar geneesbare ziekte weet ik niet. Maar ik zie wel steeds meer kankerpatiënten die in actie komen om geld in te zamelen voor de kankerbestrijding. Dat is bijna paradoxaal: als je behoorlijk ziek bent, dan kom je niet meer in actie. Dat zoveel patiënten zich inzetten voor het steunen van kankeronderzoek betekent dat het veel beter gaat dan 20 jaar geleden.”

Niettemin stijgen de absolute cijfers. Daar zijn twee belangrijke oorzaken voor. Het belangrijkst is de vergrijzing. De babyboomers worden oud. Er komen dus meer oude mensen en die bereiken ook nog een hogere leeftijd. Dubbele vergrijzing, heet dat. Kiemeney: „Ouderdom gaat gepaard met ouderdomsverschijnselen. En kanker is vaak een ouderdomsverschijnsel.”

Behalve de vergrijzing is er een tweede oorzaak voor de groei, waar kankerbehandelaren wel de hand in hebben. Er komen ook meer patiënten door vroegdiagnostiek. Dankzij georganiseerde bevolkingsonderzoeken (borstkanker en baarmoederhalskanker, vanaf 2013 ook dikkedarmkanker), eigen initiatief (de PSA-test om de kans op prostaatkanker te kennen) en omdat er meer in lichamen wordt gekeken (met MRI, echo’s, CT-scans en maag- en darmsonde’s), worden steeds kleinere tumoren ontdekt en behandeld. Dat leidt tot meer patiënten en een langere overleving. Maar dat is pas echt vooruitgang als ook de sterfte daalt.

„Er zit in de vooruitgang nog wel wat schijn ingebakken vanwege de vroegdetectie, vooral als je alleen naar de overleving kijkt”, zegt Coebergh. „Maar je wilt toch weten of die alleen door screening of ook door een betere behandeling komt. En of uiteindelijk de sterfte daalt. Daar moet je per kankersoort, in detail naar kijken en dat gebeurt inmiddels ook.”