Janine en Elvis

Zijn er overeenkomsten tussen Janine Jansen en Elvis Presley? Ik besef dat dit voor liefhebbers van klassieke muziek een vraag is die aan muzikale blasfemie grenst, maar het moet toch even.

Het toeval wilde dat ik deze week intensief met beide sterren geconfronteerd werd. De tv toonde de documentaire Janine – eerder in de bioscoop – en Intelligent Life, het magazine van The Economist, bracht een profiel van Presley. Wat bleek? In zekere zin deelden violiste en zanger hetzelfde (nood)lot: ze vergaarden in korte tijd als muzikaal fenomeen wereldroem, maar ze moesten er een hoge prijs voor betalen. Janine Jansen kreeg vorig jaar een zware inzinking (die ze inmiddels overwonnen heeft), Presley kwam de inzinkingen op den duur niet meer te boven.

Ook karakterologisch lijken ze iets gemeen te hebben, voorzover je dat vanuit de verte kunt zeggen. Ik proef in de benadering van hun vak naïeve vriendelijkheid en gretigheid; de muziek staat voorop, de zaken moeten de anderen maar doen. Als toeschouwer slaat de schrik je al snel om het hart als je ziet met welke mensen ze zich omringen.

De twee snelle zakenjongens die met Janine het eenmalige blad Janine produceren, maken geen geheim van hun bedoelingen. Een van hen zegt tegen haar: „Vind je niet dat we je te veel uitbuiten? Soms voel ik me een exploitant van je.” Janine lacht een beetje vaag, mensen die zelf zoiets te berde brengen kunnen toch geen gevaar voor je zijn?

Intussen zat ik mezelf als buitenstaander af te vragen: waar zijn de mensen die Janine tegen zichzelf en de zakenwereld zouden moeten beschermen? Wat is de rol van haar management? Daarover onthult de documentaire helaas niets, het lijkt daardoor alsof Janine alleen op zichzelf was aangewezen.

Uit The Wall Street Journal vernam ik dat ze een Brits management heeft, Harrison Parrott, dat het aantal jaarlijkse concerten nu verlaagd heeft van 95 naar 60 tot 70. Tegen die krant vertelde ze dit jaar: „De documentaire was in zekere zin een eye-opener. Hij viel samen met het moment waarop ik begon te denken over wat ik met mijn leven wilde. Ik houd van muziek maken. Het is zo’n grote passie. Ik krijg zoveel grote kansen […] Maar op een bepaald punt kom je jezelf tegen.”

Paul Cohen, de regisseur van de film Janine, wees er vorig jaar in een interview in NRC Handelsblad op dat je als artiest de zakenwereld nodig hebt om ‘top of the bill’ te worden. Zonder marketing geen roem en geen verkoop. Dat zal wel waar zijn, maar des te noodzakelijker is het voor een artiest om een manager te vinden die de grenzen in de gaten houdt.

Presley is dat nooit gelukt. Hij vertrouwde zijn lot aan één manager toe, ‘Colonel’ Tom Parker, die hem manipuleerde tot de dood erop volgde: eerst de artistieke, toen de fysieke dood. Parker eiste de helft van Presley’s inkomsten op en hij wilde dat Presley zoveel mogelijk in Las Vegas optrad, zodat hij, Parker, zich kon overgeven aan zijn meest geliefde bezigheid: gokken.

Waarom verzette Presley zich niet? De angst voor de armoede uit zijn jeugd, zegt een vriend in Intelligent Life. Parker had hem beroemd en rijk gemaakt, hij was bang dat het zonder Parker fout zou gaan.

Is er geen middenweg? Ik moest denken aan Glenn Gould, de klassieke pianist uit Canada. Hij werd beroemd zonder te veel concessies te doen. Zo weigerde hij nog langer concerten te geven. Misschien was hij een sterkere persoonlijkheid.