Is de minister ook van mening dat 3.220 Kamervragen veel te veel is?

Door kortaf te reageren proberen ministers de wildgroei aan Kamervragen tegen te gaan.

Parlementariërs blijven steeds meer vragen stellen.

Nederland, Den Haag, 08 april 2010, Tweede Kamer der Staten-Generaal lege stoelen zetels verkiezingen 9 juni 2010 parlement plenaire zaal stoel zetel zetels verdeling politieke partijen partij elections kiezen stemmen stemwijzer zetel verdeling links rechts vergaderzaal volksvertegenwordeging democratie / The House of Representatives the Netherlands Dutch Holland politics elections election stemmen stem kiezen voting members Parliament kamerleden democracy parties political party The Chamber of the Tweede Kamer Plenaire zaal seat seats Plenary debate Foto: Peter Hilz
Nederland, Den Haag, 08 april 2010, Tweede Kamer der Staten-Generaal lege stoelen zetels verkiezingen 9 juni 2010 parlement plenaire zaal stoel zetel zetels verdeling politieke partijen partij elections kiezen stemmen stemwijzer zetel verdeling links rechts vergaderzaal volksvertegenwordeging democratie / The House of Representatives the Netherlands Dutch Holland politics elections election stemmen stem kiezen voting members Parliament kamerleden democracy parties political party The Chamber of the Tweede Kamer Plenaire zaal seat seats Plenary debate Foto: Peter Hilz

Dat u het even weet, geacht Kamerlid: „Kamervragen dienen niet om de eigen mening van een lid te verkondigen.”

Zo staat het in de voorschriften die elke Nederlandse parlementariër nog eens zou kunnen doorlezen aan het begin van het nieuwe politiek seizoen – vandaag dus. Want die beruchte vier woorden – „ik ga Kamervragen stellen” – worden maar wat graag geuit door volksvertegenwoordigers. Om vervolgens de voorschiften met voeten te treden: bijna iedere Kamervraag begint tegenwoordig met „deelt de minister de mening...”.

Het afgelopen politieke seizoen werden er 3.220 Kamervragen gesteld: ruim eenderde meer dan vijf jaar geleden. Een stijgende lijn die, met een enkel afwijkend politiek seizoen, al jaren aanhoudt.

Dat groeiende enthousiasme is verklaarbaar. Als collectief kunnen Kamerleden misschien hele begrotingen van ministeries afkeuren, met een motie het kabinet naar huis sturen of initiatieven voor wetsvoorstellen indienen – maar dit is het ultieme individuele machtsmiddel.

Een nieuw fenomeen is het niet. Neem het seizoen 1972-1973: 2.125 vragen werden er gesteld, destijds een record. Opvallend genoeg was ook toen de politiek gepolariseerd – door de opkomst van de vernieuwingsbeweging Nieuw Links werd de politieke orde uitgedaagd. En ook toen was er een bijzonder kabinet (het tussenkabinet Biesheuvel-II) dat slechts 74 zetels in de Tweede Kamer had.

Vooral oppositiepartijen gebruiken Kamervragen. Vorig jaar stelden de drie Kamerfracties van de gedoogcoalitie (met 76 zetels) 1.042 vragen. De oppositiepartijen hadden twee zetels minder, maar stelden wel twee keer zoveel vragen. De VVD voert dit principe het verst door. Niemand stelt per Kamerlid minder vragen dan deze fractie: 8, tegen 21 gemiddeld.

Hiermee wordt een traditie voortgezet. Pak het onderzoek van de Raad voor Openbaar Bestuur – een overheidsorgaan – er maar eens bij. Deze ROB analyseerde de vragen uit het tijdperk Paars-II, een decennium terug. Toen was de PvdA een regeringspartij en stelde een Kamerlid van die partij gemiddeld 8 vragen aan de ‘eigen’ regering. Nu, in de oppositie, is dat drie keer zoveel.

Oppositieleden zien het stellen van Kamervragen en het aan het werk zetten van ambtenaren als een prestatie. Nadat de Partij van de Dieren in de Kamer kwam, stelden ze in één seizoen ruim 100 vragen. „De directie Dierenwelzijn van het ministerie moest daarom worden uitgebreid”, zei Marianne Thieme van die partij toen. „Daar ben ik trots op.”

Maar inflatie dreigt. En de kosten nemen toe. Eind jaren zestig kostte het beantwoorden van een vraag nog 1.000 gulden (dat zou nu 453 euro zijn), in 2004 was dat zo’n 1.750 euro. Recentere cijfers zijn er niet.

Er zijn ook tegenbewegingen. De ROB concludeerde bijvoorbeeld dat de minister in een op de vijf gevallen een vraag krijgt waar hij helemaal niet over gaat. Vorige week nog. Toen kreeg de PVV antwoord op vragen over de directeur van een denktank. De directeur had de PVV „fascistisch” genoemd. Een vraag aan de minister van Binnenlandse Zaken: „Deelt u de mening dat de directeur van het Nexus Instituut, die zegt dat de PVV fascistisch is en de bijl wil zetten aan de wortel van de democratie, niet goed snik is? Zo nee, waarom niet?”

Nee, dus. De minister deelde die mening niet. En bovendien: „Meer in het algemeen past het mij als minister minder om een oordeel uit te spreken over het gebruik dat van de vrije meningsuiting wordt gemaakt.”

Achtereenvolgende kabinetten namen zich al voor kortaf te reageren en zo wildgroei tegen te gaan. Maar het beste middel om de druk van de Kamervragen tegen te gaan lijkt het simpelweg negeren ervan. Officieel moet de regering binnen drie weken antwoorden. Lukt dit niet, dan moet dat worden toegelicht. En laat beantwoording langer dan zes weken op zich wachten, dan komt de vraag op een zwarte lijst met nu al 179 schijnbaar vergeten vragen.

De alleroudste werd vier zomers geleden gesteld. Kamervraag 2060717780 is van toenmalig Kamerlid Fred Teeven en gaat over ‘de DNA-afname bij jongeren’: „Deelt u de mening dat de wet zo moet worden gewijzigd dat DNA-afname bij jongeren verplicht is?” Misschien is het een goed idee als de huidige staatssecretaris van Veiligheid, Teeven, deze vraag nog even beantwoordt? Voorzitter?

Met medewerking van Ans Faber