Gaddafi vreesde radicale moslims

In het verlaten hoofdkwartier van de Libische geheime dienst bewijzen documenten dat Gaddafi radicale moslims als enige bedreiging in eigen land zag.

Op het hoofdkwartier van de binnenlandse veiligheidsdienst van Libië, in de speciale Al-Qaeda afdeling, staan nette ordners met daarin lange lijsten en foto’s van honderden mannen die volgens de agenten in andere landen tegen de Verenigde Staten hebben gevochten.

Een van de documenten beschrijft het leven van Abdul Salam Bin Gharsa (46), een Afghanistan-veteraan die samen met de mujahedeen tegen de Sovjet-troepen in Afghanistan vocht. Hij werd gevangen genomen in de hoofdstad van Saoedi-Arabië waar hij volgens de autoriteiten een terreuraanslag voorbereidde. Tot voor kort zat hij levenslang vast in de beruchte Abu Salim-gevangenis.

Salam Bin Gharsa is nu weer vrij. Vorige maand hebben de rebellen de deuren van alle gevangenissen geopend en iedereen vrijgelaten. Van zijn voormalige vijanden zou hij geen last meer moeten hebben: inmiddels heeft de Nationale overgangsraad alle agenten van Gaddafi’s veiligheids- en geheime diensten opgeroepen om weer aan het werk te gaan. Maar ze moeten zich nu richten op het opsporen van getrouwen van Gaddafi.

Het verhaal van Adbul Salam Bin Gharsa is niet uniek. Een reeks documenten, gevonden in het leegstaande hoofdkwartier van de Libische veiligheidsdienst, laat zien dat kolonel Moammar Gaddafi radicale moslims als de grootste bedreiging van zijn regime zag. Nu eisen voormalige jihadisten de verantwoordelijkheid op voor het innemen van de hoofdstad Tripoli door de rebellen.

De documenten, in het bezit van NRC Handelsblad, geven nieuwe details over Gaddafi’s jarenlange campagne tegen islamitische militanten. Zijn machtige binnenlandse veiligheidsdienst hield honderden Libische islamitische activisten nauwkeurig in de gaten, onder wie velen die sinds 2001 vochten tegen Amerikaanse troepen in Afghanistan en later in Irak en daarna weer waren teruggekeerd.

Behalve dat ze ex-strijders intensief volgden, blijkt uit de documenten ook dat de veiligheidsdiensten intensief contact hadden over vermeende extremisten met buitenlandse inlichtingendiensten, waaronder de Amerikaanse CIA en de Britse MI6.

„We moeten deze mensen [extremisten, red.] bestrijden”, zegt een hoge veiligheidsfunctionaris, Abu Mounir, in een toespraak in 2006 volgens een van de documenten in het hoofdkwartier. Hij stelt voor Gaddafi te vragen om „de Amerikanen te dwingen meer druk te zetten op de regeringen van landen die extremisten herbergen.”

Afgelopen weekeinde kwam onder andere de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch met documenten die bewijzen dat er intensief contact was tussen de Libische veiligheidsdienst en westerse inlichtingendiensten.

Er waren geheime vluchten met terrorismeverdachten georganiseerd door de CIA, folterpraktijken door de Libische diensten werden door de vingers gezien en de Britse MI6 gaf informatie aan Gaddafi’s regime over dissidenten die in Engeland woonden. De samenwerking dateert van het begin van deze eeuw, en richt zich onder andere op een vroegere extremist die nu een van de belangrijkste rebellenleiders is geworden.

In 2004 arresteerde de CIA de Libiër Abdel Hakim Belhaj in Afghanistan, ondervroeg hem in Thailand en leverde hem vervolgens aan Gaddafi’s regime uit, destijds een partner in de strijd tegen terrorisme. Belhaj reed twee weken geleden de hoofdstad binnen als leider van de ‘Tripoli brigade’ , een rebelleneenheid die nu de stad controleert.

Belhaj is de voormalige leider van de Libische Islamitische strijdgroep, een militante islamitische organisatie die in de jaren tachtig strijders leverde voor de jihad tegen de Sovjet-Unie die in die tijd Afghanistan bezette. De organisatie – die nu volgens Belhaj is opgeheven – had twee trainingskampen in dat land voor de aanslagen van 11 september 2001.

Het bijeengeraapte rebellenleger steunt voor een deel op ervaren veteranen van de jihad in Afghanistan en Irak, die zij aan zij met andere, soms seculiere strijders hebben gevochten om Gaddafi te verdrijven.

Belhaj en zijn organisatie hebben altijd ontkend banden te hebben gehad met Al-Qaeda. Belhaj, die jaren gevangen zat onder Gaddafi, zegt dat hij een vrij en democratisch Libië wil, waar ruimte is voor alle meningen.

De meeste Libiërs zijn conservatieve sunnieten, maar de afgelopen decennia is er ook een moderne stadscultuur ontstaan, aangedreven door een geboortegolf. De meerderheid van de Libiërs is nu tussen de 14 en 25 jaar oud.

Volgens een ontwerp voor een grondwet van de Nationale overgangsraad, het politieke bestuursorgaan van de rebellen, moet Libië een democratische staat worden met islam als staatsreligie en de shari’a, het islamitisch recht, als belangrijkste bron voor rechtspraak. Er staat ook dat de staat de rechten van niet-moslims zal garanderen.

Gaddafi’s veiligheidsdienst waarschuwde al geruime tijd dat het „moorden en stelen” door extremisten toenam. „De groepen trekken onze zonen aan en hersenspoelen hen”, staat te lezen in een toespraak.

De Afghanistan- en Irakveteranen en hun aanhangers waren de enige binnenlandse vijand waar de Libische staat zich op richtte. Het is onduidelijk hoe groot het gevaar daadwerkelijk was. Mogelijk dienden de groepen als zondebok voor de diepgewortelde onvrede over Gaddafi.